OVER LEENDERT MARIE JONKER









LEENDERT MARIE JONKER





INLEIDING

In het hoofdstuk na deze inleiding wordt de lezer een inkijk gegund in het leven van het gezin waarin Mario Jonker is geboren. Dat is bijzonder boeiend. Op microniveau beleven we een drama, dat ook in negen andere gezinnen diepe sporen heeft getrokken. De vader van Mario: Leendert Marie Jonker (Leen), werd op 10 december 1944 in Renesse opgehangen samen met negen anderen, onder wie Leens broer Joost.

Wat heeft zich allemaal afgespeeld voor, op en na 10 december 1944? We kijken mee door de ogen van zijn moeder Tan, zijn oma, zijn ooms en tantes. Het gaat over heel diepe zaken van geloof en gebed, maar ook over alledaagse, zoals in elk leven.

Het gezin Jonker, waaruit de vader van Mario afkomstig is bestond verder uit zijn ooms Joost, Piet, Marien, Marius, Jan en Johan, en zijn tantes Ka en Ma. Hun namen komen verspreid voor in dit hoofdstuk.



De trouwfoto van Leendert Marie Jonker en Tannetje van Wouwe.
Met dank aan oudste zoon, Cor Jonker, voor de foto's uit deze Inleiding.

Over Tannetje zie ook de Uitleiding.



Mario is de jongste zoon van Leendert Marie Jonker en zijn vrouw Tan van Wouwe. Hij heeft twee broers: Cor en Leen, en een zus Willy (tegenwoordig Will). Het bijzondere van Mario is dat hij geboren is een maand na de terechtstelling van zijn vader Leen op 11 januari 1945. Hij draagt ook de namen van zijn vader: roepnaam Mario. Voor meer informatie over de zoektocht van Mario, kunt u terecht in hoofdstuk 13.




Dit vind ik een bijzondere foto van Leen: ongedwongen.
Met een zachte en vriendelijke uitstraling.
Zo zal hij er in 1944 ongeveer uitgezien hebben.
Deze foto is gemaakt voor z'n identiteitsbewijs.



Mario heeft een heel boek aan zijn vader gewijd. Het boek is als het ware zijn monument voor zijn vader. Toen zijn moeder stierf (04-11-06) heeft hij het vrijgegeven voor anderen in het Archief van Schouwen-Duiveland.

Mario schreef me:
"Om de leegte op te vullen die het niet hebben van een vader in mij had achtergelaten, ben ik rond mijn 40e alle mensen die mijn vader hadden gekend, familie, vrienden en vooral mijn moeder, gaan bevragen over mijn vader; deze gesprekken heb ik opgenomen op cassettebandjes. Pas jaren later heb ik als gevolg van een gesprek met mijn broer Leen over zijn gebrek aan kennis over mijn vader besloten om voor mijn broers en zus een overzicht en een chronologische samenvatting te maken, gelardeerd met citaten uit de 'interviews'. Zo is een rijk beeld ontstaan dat inderdaad als een monumentje voor mijn vader gezien kan worden. Rond de tijd dat mijn vader 80 geworden zou zijn, heb ik het hun (en mijn moeder) uitgereikt."



Op deze foto ligt Leen als knaap
met zijn jongere broer Johan aan de voeten van zijn ouders.
Op rij 2 staat links Piet, dan opa en oma Jonker, dan Maatje
Op de laatste rij: Jan, Marien, Joost, Marius en Kaatje.


Een bijzonder detail voor mij is dat in de laatste geciteerde brief van de oma van Mario, oma Van Wouwe, de moeder van Tan, de familie Verhoeff ter sprake komt. Ze hadden hen in de kerk gezien. Ze schrijft dat ze ook bijzondere troost nodig hebben, nu hun alles is ontnomen.

Joost heette de oudere broer van Leen. Zijn naam komen we in het vervolg ook geregeld tegen. In de aangrijpende brief van de oma van Mario aan zijn moeder aan het slot van het verslag heeft zij het over het sterven van Cor op 18-jarige leeftijd. Dat was de zoon van Joost.



Dit is de oudere broer van Leen: Joost Jonker.
Hij werd tegelijk met Leen opgehangen.


Jan den Boer uit Haamstede vertelde me onlangs: "Ik was ouderling en ik ging 's woensdags op bezoek bij de vrouw van Joost, ze stond aan de wastobbe. Joost Jonkers vrouw was bij haar vader en moeder. Die woonden op het dorp. De oudste zoon van Joost en z'n vrouw was ondergedoken in Leiden. 's Zondags was haar man opgehangen en dinsdags kreeg ze bericht dat haar oudste zoon Cor was overleden aan buikvliesontsteking. Dat kreeg ze in één week allemaal te verwerken."

Hieronder vindt u het verhaal van Mario. Het is het hoofdstuk 'Oorlog en Verzet' uit het boek over het leven van zijn vader. Ik heb het enigszins bewerkt. Voor de duidelijkheid heb ik bij de vele namen erbij vermeld, wie het zijn, zodat de lezer de draad niet hoeft kwijt te raken.

Ik wil Mario hartelijk dank zeggen voor de toestemming die hij me gaf om de ontroerende geschiedenis over zijn vader Leendert Marie Jonker en de verdere familie op deze site een plek te geven. Het is een aanwinst. We kijken weer vanuit een ander perspectief tegen de geschiedenis van 10 december 1944 aan, het drama van de Tien van Renesse.





'OORLOG EN VERZET'


Uit: HET LEVEN VAN MIJN VADER LEENDERT MARIE JONKER

geboren 22 maart 1915 - gestorven 10 december 1944

DOOR MARIO L. JONKER



'OORLOG EN VERZET'

"Aan het begin van de oorlog werden mannen verplicht voor de Duitsers te werken. Leen moest op het vliegveld werken. Daarnaast ging het gewone leven door, zo goed en zo kwaad als dat ging.

Waarschijnlijk is Leen onder invloed van Joost in de ondergrondse gegaan.

Piet van Dalsen (vriend van Leen):"Ik kon nooit goed begrijpen dat je vader erbij betrokken was. Hij was helemaal niet zo krachtdadig, eerzuchtig of haatdragend tegenover de Duitsers. Hij was misschien wel erg op eerlijkheid en rechtvaardigheid gesteld en daar zal Joost op ingespeeld hebben. Leen is mogelijk meegezogen in het hele gebeuren uit plichtsbesef."

Nicht Nel (dochter van Joost Jonker, die ook terechtgesteld is):" Dat heb ik nooit begrepen: dat je vader meegegaan is. Ik heb er veel over nagedacht…, hoe heeft hij dat toch kunnen doen? Ik weet dat mijn vader tegen hem gezegd heeft: je moet bij je vrouw en je kinderen blijven. Jij moest nog geboren worden in januari 1945, dus m'n vader vond het niet goed dat hij meeging. En toch ging hij mee… De drang dat hij moest. Hij mocht dan wel aan mijn vaders kant staan, maar verder werd hij toch niet gezocht… Ik weet dat hij een sterke band met mijn vader had. Die band kan zo sterk geweest zijn dat hij is meegegaan. Ze hebben het er samen veel over gehad, onder andere wat ze mee zouden nemen aan gereedschap, hoe heet zo'n schepje, een troffel en nog wat…, in een zakje, omdat ze dan samen verder zouden gaan als ze aan de overkant waren. Dan zouden ze samen verder bouwen!"

Moeder: "Ik weet niet precies hoe hij in het verzet terecht gekomen is; dat Leen bij zijn broer Joost in dienst was, zal er mee te maken hebben. Joost was een felle; die had zelfs een revolver. Dat hij die revolver op hun tocht naar Noord-Beveland in Renesse heeft gelaten, zal altijd wel een raadsel blijven. Wat ik wel weet, is, dat je vader per se niet voor de Duitsers wilde werken. Hij was een eerlijk, zacht mens; hij kon geen onrecht hebben. Natuurlijk heeft hij, voor hij zijn besluit nam, er met mij over gesproken. Ik heb ook moeten beslissen…"

Leen is begonnen met illegale blaadjes rond te brengen, o.a. "Trouw". Later kwam daar het verzamelen en distribueren van wapens bij. In "Verzet, Schouwen-Duiveland in de frontlinie" van Fey staat het als volgt beschreven op blz. 24: "In Haamstede gaan Straayer, Rademaker en de Gebrs. Jonker steeds maar door met het verzamelen van wapentuig."

Jaap Rademaker: "Ik weet niet veel van het ondergrondse werk, dat je vader deed, af; er werkten allemaal groepen naast elkaar. Bij die groep van Joost zaten ook Piet Straayer en Johan van Waveren, maar die leven ook al niet meer…"

Moeder: "Tegen mij heeft hij er nooit iets over gezegd. Hij zei altijd: "Ik vertel niks, dan hoef jij het ook nooit te verantwoorden." Ik zou dan ook nooit mijn mond voorbij kunnen praten. Trouwens, hij was op zich al 'een stille in den lande'."

Nicht Nel (dochter van Joost Jonker): " Ik weet er verder ook zo weinig van; weet je, het was oorlog en wij kinderen mochten niet eens luisteren… Alles wat we niet wisten, was beter. Er werd tegen ons gezegd: als ze je pakken en ze vragen 'waar is je vader' of allerlei andere vragen, dan moet je enkel en alleen 'ik weet het niet' antwoorden. Zelfs mijn moeder mocht niet alles weten. Zo af en toe ving je toch wat op o.a. dat mijn vader weer onderduikers had en die moesten een plek hebben; hij bracht ze dan weg. Ik wist dan dat hij ergens over 't land liep en dat hij gezocht werd. Ik werd er altijd beroerd van. We mochten nooit wat vragen, want we mochten niks weten…"

Het vliegveld is verschillende keren gebombardeerd, o.a. een paar dagen voordat Cor (te vroeg) werd geboren. Tan (zo werd de vrouw van Leen genoemd) was daar zeer angstig over.

Moeder (Tan): "Er is ook eens een bom gevallen, waarbij Corry de Munnik d'r vader uit het puin kwam gekropen. Hij mankeerde niks. Cor zat in de kinderstoel, dat was nog maar een klein ventje, maar toen al erg druk. Bij gebrek aan een tuigje had ik zijn been aan de poot vastgebonden met een oude nylonkous. Toen die bom neerkwam, schrokken we ons wild en ik wil hem zo uit de kinderstoel pakken, maar hij zat vast, dus ik tilde hem met stoel en al op. Leen zei: "Je zou z'n pootje breken…" Later is er nog een bom terecht gekomen bij De Glopper."

Broer Cor: "Een van de weinige herinneringen die ik heb, ik was 3 à 4 jaar, was, dat vader op het kerkhof een grafkelder aan het repareren of metselen was. Ze begonnen toen geweldig te schieten. We zijn achter het lijkhuisje gekropen om te schuilen."

"Tegenover de algemene begraafplaats was de Duitse militaire begraafplaats. Ik herinner me, dat daar een officier werd begraven. We werden weggestuurd, wij mochten niet door. Vader was toen nog niet ondergedoken."

Na Dolle Dinsdag dook Leen onder. Dolle Dinsdag is de naam voor Dinsdag 5 september 1944, waarop Radio Oranje meldde dat de geallieerde troepen Breda hadden bereikt en het gerucht ging, dat ze zelfs al over de grote rivieren waren getrokken, zodat er alom tijdelijke opwinding en paniek was. Leen dook onder bij Van der Wekken op de Lage Zoom, halverwege Renesse. Hij sliep waarschijnlijk op zolder, omdat hij bij gevaar door een dakraam naar buiten kon.

Tan heeft ook 14 dagen bij Jaan en Marien gelogeerd, omdat ze zo'n schrik had van een Feldwebel, die een paar keer op een motor kwam om te vragen waar 'Herr Jonker' was (okt/nov '44). Toen dat weer een keer zo was en Tan hem hoorde aankomen, heeft ze Will uit de box gegrist en is ze boven op de kast van het kleine kamertje gekropen. Hij bonsde met de kolf van zijn geweer op de achterdeur. Tan heeft niet opengedaan. Angstig bleef ze afwachten tot ze afdropen. Later hoorde ze dat hij door was gegaan naar vader en moeder Jonker, een huis verderop. Daar was ook broer Jan en die heeft hem af kunnen poeieren. Ook zij wisten niet waar Leen was…

In die periode kwam Leen alleen in het donker, "stok over blok", dus niet over de officiële wegen, naar zijn huis om zijn vrouw en kinderen te ontmoeten. Hij kon dan door een kiertje naar zijn kinderen staan kijken, hij had ze dan toch weer even gezien. Meer durfde hij niet, bang als hij was dat ze bij bezoek van Duitsers hun mond zouden voorbij praten.

In de kinderslaapkamer was er volgens tante Nel een schuilplaats gemaakt, zodat hij, als er wat gebeurde, daarin kon kruipen. De schuilplaats bestond uit een loze ruimte boven de vaste kast. Volgens moeder kon hij daar niet eens in. In die ruimte boven het plafond zat wel een voorraad koffie, twee nieuwe buitenbanden voor een fiets, zeep (Sunlight) en waspoeder (Persil). Hoe dan ook, die ruimte is nooit nodig geweest om hem te verstoppen. Cor en (zoon) Leen sliepen boven op zolder. Willie sliep nog in het ledikantje in de slaapkamer beneden. Willie was gek op vader Leen. Als hij zijn kop om de deur stak, stond ze te trappelen van plezier. Vader Leen kon niet anders dan haar in zijn armen nemen. Ze zou immers nog niets kunnen vertellen…

Moeder: "En dat wist dat kleine ding al zo goed; dan kwam ze al overeind als de deur nog maar open ging. Naar boven gaan durfde hij niet goed, want Cor was al zo'n pratertje en dat zou gevaar op kunnen leveren."

Tegen Joost heeft Leen wel gezegd: "Ik doe dit nu allemaal wel, maar als eens wat met me gebeurt, wie zorgt er dan voor mijn vrouw en mijn kinderen?" Joost had hem gerustgesteld: "Leen, daar moet je niet over inzitten, daar wordt heus wel voor gezorgd."

29 oktober 1944 is de laatste verjaardag die hij van zijn vrouw heeft meegemaakt. Hij is toen een heel weekend weggebleven. Hij heeft een accordeon van de broer van tante Nel te leen gekregen waar hij zo'n beetje op kon spelen… Bij gevaar of als Leen niet kon komen, kwam een politie-agent waarschuwen. Wie die politie-agent was, weet moeder niet.

5 december 1944, Sinterklaasdag, is Leen voor het laatst bij Tan en de kinderen geweest. Hij vertelde Tan het voorgenomen plan om maar bevrijd gebied te gaan (Noord-Beveland). Tan pakte toen zijn rieten koffertje in, o.a. met nieuw ondergoed, nieuwe sokken die ze zelf gebreid had, twee nieuwe overalls, terwijl Leen naar zijn vader en moeder ging om gedag te zeggen.

Toen hij vertrok, zei Tan tegen hem: "Leen, ik zie je nooit meer terug, dat voel ik." Leen suste haar en zei: "Als alles goed gaat, dan zie je me heus wel terug."

Moeder: "Maar ja, hij ging, want hij moest; ze zaten achter hem aan. Ik heb door het kleine raampje in de bijkeuken gekeken, want hij ging weer binnendoor weg, en ik ben blijven kijken tot hij al lang en breed weg was. Ik ben naar boven gegaan en heb zo erg gehuild en ik prevelde "Leen, ik zie je nooit meer…"

Toen kwam Marien (broer van Leen) en die riep van beneden: "Tan, waar zit je?"Ik ben naar hem toegegaan en Marien zei tegen me "Wat, moe jie schreeuwe? (huilen), jie bin oltied zo flienk 'eweest!" Ik antwoordde "Marien, Leen is weg en ik zie 'm nooit meer terug, ik wéét het!!" Marien heeft me natuurlijk proberen te overtuigen dat het wel los zou lopen, maar ik heb hem alleen teruggezien aan het begin van de Slotlaan toen hij op die zonderdagmorgen in een huifkar werd afgevoerd. Ma heeft hem toen nog een hand gegeven."

Marius heeft Joost en Leen waarschijnlijk voor het laatst in vrijheid gezien. Oom Marius: "Ze voelden zich geweldig opgejaagd. Ik heb ze nog gewaarschuwd. Ik heb gezegd: "Stop ermee, ga niet", maar ze waren er zo vol van. Leen zochten ze niet zozeer, maar Joost wel. En omdat Leen nu eenmaal ook in het complot zat, moest hij mee."

Wat er gebeurd is, staat uitvoerig beschreven in Verzet! Schouwen-Duiveland in de frontlinie van G.M.Fey.

Jaap Rademaker (uit Renesse, zat ook in het verzet) zegt erover dat er dingen in dat boekje niet kloppen. Dat is goed mogelijk. In mijn gesprekken met mensen over de gebeurtenis hoor ik veel tegengestelde meningen en interpretaties. Zeker na lange tijd worden ervaringen-van-horen-zeggen persoonlijk ingekleurd. Ieder komt met zijn eigen verhaal...

Ik vat de gebeurtenis samen in de woorden van onze oorlogsgeschiedschrijver bij uitstek L. de Jong in deel 10b van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog



"Eerder schreven wij (dr. L. de Jong) dat wat in Putten is geschied, tekenend is geweest voor de mentaliteit die in delen van de Wehrmacht was gaan heersen en wij wezen de lezer er toen reeds op dat wij in dit verband nog een tweede gebeuren wilden behandelen: het ophangen in Renesse van tien inwoners van Schouwen, 'het enige ons bekende geval', schreven wij, 'waarbij, afgezien van een beperkt aantal ophangingen in het concentratiekamp Vught, deze vorm van de doodstraf door de Duitsers in bezet Nederland is toegepast.' Wat zich te Renesse heeft afgespeeld, is trouwens ook in andere opzichten in hoge mate schokkend, ja stuitend geweest.

Noord-Beveland was eind oktober bevrijd, van Schouwen had men de Duitsers niet verjaagd. Die Duitsers werden evenwel niet met rust gelaten: op maanloze nachten werden van Noord-Beveland en St. Philipsland uit Commando-raids ondernomen. Tot het Duitse garnizoen, ca. negenhonderd man, behoorden driehonderd Armeniërs van wie sommigen in contact stonden met illegale groepen; er waren op Schouwen twee van die groepen: een van de OD en een van de LO die tevens het illegale blad Trouw verspreidde.

Van belang was dat de OD-groep, waarin M. K. van der Beek, een politieman uit Zierikzee, de drijvende kracht was, regelmatig via een door de Duitsers over het hoofd geziene dienstlijn van de Provinciale Zeeuwse Electriciteitsmaatschappij gegevens kon doorgeven naar St. Philipsland dat door de Canadezen was bevrijd.

Aan Canadese zijde werd, zoals wij in ons vorige deel reeds vermeldden, in november een landing op Schouwen overwogen maar men liet dit voornemen vallen omdat zulk een landing te veel krachten zou vergen en het militaire voordeel niet groot genoeg werd geacht. Die negatieve beslissing was aan de illegale werkers op Schouwen niet bekend - zij hoopten juist dat het wèl tot zulk een landing zou komen en wisten dat een deel van de Armeniërs zich dan aan de Geallieerde zijde zou scharen. Ook van dat laatste waren de Canadezen in kennis gesteld maar zij vertrouwden die toezegging van hulp niet.

Op 2 december nu werd op Schouwen bekendgemaakt dat alle mannen van zeventien tot veertig jaar zich moesten aanmelden om als 'spitters' te worden weggevoerd. Die bekendmaking forceerde de ontwikkeling. Telefonisch werd afgesproken dat de Canadezen op 6 december tegen negen uur 's avonds met een bootje een groep van zeventien personen zouden komen afhalen: twee ondergedoken Britse militairen en een ondergedoken Nederlandse Commando, wier zweefvliegtuig op de eerste dag van 'Market-Garden' (17 september) een noodlanding op Schouwen had moeten maken, dertien illegale werkers en onderduikers (onder wie een echtpaar) en een Armeniër; die laatste was aan de groep toegevoegd teneinde persoonlijk het bij de Canadezen bestaande wantrouwen weg te nemen en hij had, ten bewijze van zijn betrouwbaarheid, een aantal Duitse stafkaarten bij zich. De afspraak was dat de groep bij Zierikzee van de wal af op gezette tijden een wit licht zou ontsteken; bij onraad zou het licht rood zijn.

Op de avond van 6 december kwamen de Canadezen niet opdagen; het weer was te slecht. De afhaalpoging werd krachtens een nieuwe afspraak op de volgende avond herhaald. Weer liep het mis. De groep gaf aan de onderkant van de dijk bij Zierikzee de afgesproken witte lichtsignalen en deze werden van het water af vijf maal beantwoord. Korte tijd later passeerde een Duitse auto de afhaalplek; dat de Canadese boot toen niet naderde, was gevolg van het feit dat het rode achterlicht van die auto door de afhalers beschouwd werd als een alarmsignaal.

De groep van zeventien verliet de plek aan de dijk en ging in een nabijgelegen huis overleg plegen. Tijdens dat overleg kwam de afhaalboot op de afgesproken plaats en een patrouille ging aan land. Bij het weer aan boord gaan werd deze patrouille ontdekt door een Duitse schildwacht die een vuurpijl afschoot. Zulks leidde er toe dat andere Duitse militairen de afhaalplek naderden. Daarbij ontmoetten zij het echtpaar dat vooruit was gegaan en dat niet werd gearresteerd doordat de man beweerde, na spertijd nog buitenshuis te zijn omdat hij (hij liet dat aan de Duitsers zien) een lekke band had.

Korte tijd later stieten de Duitsers op de overige leden van de groep. Een vuurgevecht ontstond. Vier personen wisten te ontsnappen, onder wie de drie Geallieerde militairen, maar de elf overigen vielen in Duitse handen waarbij een der onderduikers: de gemeentesecretaris van Renesse (hij was ondergedoken omdat hij medewerking aan de aanmeldingsactie had geweigerd) zwaar werd gewond; hij had een schotwond in het achterhoofd en een in de toppen van elk van zijn longen.

Hem lieten de Duitsers onder bewaking in het ziekenhuis te Zierikzee achter, de overige tien arrestanten werden elders opgesloten en in de loop van de 8ste samen met een vrouw uit Zierikzee die in de nacht was gearresteerd (haar zagen de Duitsers voor de vrouw aan die zij met haar man waren tegengekomen) per boot naar Middelharnis op Goeree-Overflakkee overgebracht. Aan boord komend werden zij geschopt en geslagen.

Tijdens de oversteek naar Goeree-Overflakkee sprong de Armeniër overboord (hij verdronk). De gearresteerde vrouw werd vrijgesproken, de negen mannen werden mèt de in Zierikzee achtergelaten gemeentesecretaris in de nacht van 8 op 9 december in aanwezigheid van een functionaris van de SD te Rotterdam, Kriminalsekretär K.P.H. Bläse, door een haastig samengesteld Kriegsgericht tot de dood door de strop veroordeeld; de doodvonnissen werden telefonisch door Christiansen bevestigd.

Men bracht de negen mannen naar Schouwen terug waar zij in Haamstede in een bunker werden opgesloten. Vandaar werden zij op zondag 10 december naar het Slot Moermond bij Renesse gevoerd. De gereformeerde predikant te Haamstede mocht hun geestelijke bijstand verlenen; hij las twee psalmen voor en vervolgens zongen de negen hand in hand 'een vaste burcht is onze God'.

Daarna werden zij opgehangen, zulks ten aanschouwen van de gewonde gemeentesecretaris die er op een brancard bij lag.

Inmiddels waren de Duitsers op Schouwen rondgegaan; enkele mannelijke naaste verwanten van de opgehangenen en vijf andere burgers uit elke gemeente werden op straffe van anders doodgeschoten te worden, gedwongen mee te gaan naar het Slot Moermond. Daar kregen zij de opgehangenen te zien, 'daar zag ik', zo verklaarde in '45 een vader, 'mijn eigen kind hangen, mijn enige zoon. Het was voor mij niet te geloven ... Ze hebben mij alles wat ik op aarde bezat en waar ik mijn hoop op gevestigd had, weggenomen.'

De lijken moesten twee etmalen blijven hangen. Zij hingen er nog toen het lijk van de inmiddels gestorven gemeentesecretaris van Renesse de volgende dag er naast werd opgehangen.'

Tot zover Dr. L. de Jong. Hij maakte gebruik van wat G. M. Fey kort na de bevrijding heeft gepubliceerd in zijn boek Verzet! Schouwen-Duiveland in de frontlinie (1945).


Ringelberg, de schaapherder, heeft ze tijdens de twee nachten van de vluchtpoging naar Noord-Beveland meegemaakt. De zeventien logeerden niet bij hem, omdat hij zo'n klein huisje had, maar in een huis aan de overkant van de weg waar hij woonde.

Ringelberg: "Door de geheime telefoon was er gezegd dat ze de mensen zouden komen halen en ook de mensen die gezocht werden uit dat zweeftoestel. Ik heb toen die Engelsen opgehaald - die hebben nog een poosje bij mij gezeten - dan zouden we naar de Boerenweg gaan (in Zierikzee), het betonnen huis op de hoek, daar zouden we allemaal samenkomen. Het was pikdonker en we kenden elkaar niet; ze vroegen bijvoorbeeld zelfs aan mij: "Waar is nou Ringelberg?" Ik zou die Engelsen en die Armeniër meebrengen en toen zijn we naar de dijk gegaan. Het was stormachtig weer, veel wind en er zouden steeds jagers overvliegen, zodat de Duitsers de snelboot niet zouden horen. Die jagers kwamen steeds over ons hoofd. We hebben wel de snelboot gehoord, maar niet gezien.

De politieman (Van der Beek) had in het water gestaan om met een zaklantaarn met een koker ervoor te seinen. Toen zijn we op het laatst teruggegaan en Bernard Black (één van de piloten) heeft getelefoneerd. Uit het telefoontje bleek dat ze het licht niet gezien hebben, hij had te laag gestaan. Dus het verzoek kwam of hij bij een volgende poging hoger wilde gaan staan en dan zouden ze een half uur later komen dan bij de eerste poging, in verband met de stand van het water. Een dag later zijn we weer gegaan, weer met overvliegende vliegtuigen.

De tweede keer: we zagen de boot komen. Toen kwam er opeens een Duitse wagen aan. De weg over de dijk was heel slecht, waardoor de wagen schommelde. Toen dachten de Engelsen op de snelboot dat wij met een lantaarn zwaaiden, dat ze terug moesten gaan. De boot is teruggedraaid richting Beveland. We hebben nog gewacht tot ze terugzouden komen, maar op een gegeven moment kwam er een groep Duitse soldaten langs de Boerenweg naar de dijk, terwijl wij onderlangs de dijk achter de paaltjes op de glooiing lagen. Dat ging goed; de soldaten stonden een poosje op de dijk. Ze keken een beetje uit; in feite was die dijk de frontlinie, de Engelsen zaten op Noord-Beveland.

Ze lopen door, maar één soldaat komt even terug en doet een stap van de dijk af om een plas te doen. Iemand van de ondergrondse werd zenuwachtig en schiet hem door zijn buik. Als reactie daarop schoten de soldaten vuurpijlen af. Toen kwamen er nog meer soldaten van 't Hooft (dijkhoofd dichtbij de stad) en vanuit Burgh. Ze sloten ons in en zo zijn ze gevangen genomen."

Ringelberg vervolgt: "Ik ben het water ingegaan en die politie-agent (Wisse) heeft zijn band leeg laten lopen en die deed net of hij van Haamstede kwam; er was ook nog een jongen van De Glopper, een jaar of 18 - die weet misschien nog meer te vertellen…

Ik ben naar huis teruggegaan. 's Nachts om 3.30 uur werd er geklopt; ik dacht dat ze me verraden hadden, maar het waren Engelse piloten, die hadden ergens onder Burghsluis gezeten… Ik ben toen ook ondergedoken…"

De plaats aan de dijk waar dit alles is gebeurd, is de zeedijk bij Zierikzee ter hoogte van de boerderij van boer De Ruyter.

Moeder: "In die dagen zat ik veel in spanning, want we zouden bericht krijgen of het gelukt was.'s Nachts kwamen Nel en Johan slapen (Nel is Nel Toxopeus, echtgenote van Johan Jonker, de jongste broer van mijn vader), voor de gezelligheid en ook om de spanning wat te breken.

Na de veroordeling in Middelharnis zijn ze met een boot naar Burghsluis gebracht. Ze lagen toen met hun rug op de boot met elk een Duitsers wijdbeens over hen heen met de kolf klaar in de aanslag om zo nodig toe te slaan; ze hebben verschrikkelijk honger en dorst geleden, want ze kregen niets te eten of te drinken; van donderdag tot 's zondags aan toe geen druppel water…"

Moeder: "'s Zondags was ik met kleine Leen naar de kerk. Op een gegeven moment kwam de vrouw van dominee Voorneveld de kerk binnen. Toen wisten we al dat er iets bijzonders gaande was. Er werd al gauw gefluisterd over de gebroeders Jonker…

Nadat dominee Voorneveld weg was gegaan werden Jaan (vrouw van Marien Jonker) en ik ook uit de kerk geroepen om te proberen of wij er nog even bij mochten om voor 't laatst afscheid te nemen. Dat is allemaal niet gelukt."

Dominee Voorneveld heeft van alle veroordeelden boodschappen en waardevolle spullen voor de nabestaanden meegenomen. Moeder kreeg zijn ring, zijn horloge, zijn portemonnee en uit een zakagenda gescheurd velletje papier met daarop zijn laatste woorden, geschreven in de donkere bunker in de Slotlaan van Haamstede:






10 Dec.

Geliefde vrouw
Ik groet u voor eeuwig
Kust mijn kinderen
grootouders en allen
die mij lief zijn
Vergeef alles wat ik u
soms heb aangedaan
Denk aan mij
Je innig geliefde man
Leendert Jonker
en vader
Sterke u God.


Moeder: "Ik stond aan het begin van de Slotlaan. De paarden van de huifkar waar ze in zaten werden aangespoord zo hard mogelijk te rijden, dus die vlogen gewoon; maar ze moesten bij de bocht van de Slotlaan wel inhouden. Op dat moment wou kleine Leen weglopen, dus ik riep: "LEEN!" en toen deed vader Leen met zijn hand het zeil opzij en riep Ma "Tan, daar gaan ze!"; zij liep er op af en kon hem nog de hand drukken. De Duitsers die erbij waren dreigden te schieten als ze niet weg zouden gaan. Het enige wat wij nog konden was elkaar even aankijken. Hij wees met zijn vinger naar boven, alsof hij zeggen wou: daar zien we elkaar weer."

Oom Piet is het moeder komen vertellen: "Ik moet je condoleren, Tan, want je bent weduwe geworden…" (Oom Piet is de oudste broer van mijn vader die met oom Marius aanwezig is moeten zijn bij de terechtstelling).

Tante Nel (vrouw van jongste broer van Leen: Johan): "We zijn zo snel we konden wat spullen wezen halen uit jullie huis om die naar ons huis (Smalweg 6) te brengen: kleren, een ledikantje voor jou, wat groenten, het orgel… Jullie huis en de spullen daarin waren verbeurd verklaard en zouden in brand gestoken worden. De Duitsers kwamen al snel om alles te vorderen. Oom Marius heeft dat voorkomen door net zo lang met de luitenant, of wat dan ook, te kletsen en te argumenteren dat je moeder al genoeg gestraft was, omdat haar man al was opgehangen, dat ze het huis uit moest… Tante Ma is er toen ingetrokken. Een zekere Boot heeft er ook nog in gezeten."

Moeder: " 's Middags kwam er zo'n hoge piet van de Duitsers dat we het huis uit moesten omdat alles verbeurd verklaard was. Ik ben toen bij vader en moeder Jonker ingetrokken. Cor en Leen zijn naar oom Marius en tante Leentje gegaan die toen bij de familie Capelle waren in Noordwelle. Willie is eerst naar ds. Voorneveld gegaan en later naar tante Ma en oom Jan. (De laatste is ook een broer van mijn vader en Ma is zijn echtgenoot.) Jij moest nog geboren worden. Later ben ik daar ook nog ingetrokken.

Jij was inmiddels geboren. 5 januari was er nog een bombardement op Haamstede, 10 januari vielen er veel granaten, jij bent op de 11de geboren. Ik dacht in die tijd: 'God, o God, hoe moet dat straks gaan?' Ja, als je in een bevalling ligt en je hebt je man bij je die je troost en die nog eens je hand vasthoudt… Dan dacht ik maar: 'Ik hoop dat het heel vlug gaat.' Nou, het is ook vlug gegaan: om 02.00 brak mijn water en om 04.00 was je er al."

"Toen ik in verwachting was van jou vroeg papa wel eens, als hij 's avonds kwam, 'heb je de wieg al in orde gemaakt?' en dan zei ik 'nee, ik heb er nog geen tijd voor gehad.' Ik ben er toen toch aan begonnen, want de stof moest vernieuwd. De wieg stond boven op zolder. Dan kwam hij op een avond en ik zei 'de wieg is klaar, zullen we even gaan kijken?!' Er was geen licht natuurlijk, dus ging Leen met de knijpkat voorop en gingen we zo kijken. Ik had er een laken over gedaan, dus deed ik het laken weg en hij zei 'o, wat is 't toch weer mooi, prachtig!; nu maar weer zo'n zwartkopje erop, wat zullen we weer blij wezen.' Het zwartkopje is er gekomen, maar hij heeft zijn zwartkopje nooit gezien…"

"Tegen moeder Jonker heb ik wel gezegd 'Hun wens is nu wel in vervulling gegaan, want ze juichen nu voor eeuwig voor Gods troon…'; dat zeg je dan wel, maar later komt de realiteit en dan denk je er wel anders over."

Moeder: "Eerst heb ik niet geweten hoe Leen om het leven was gebracht. Dat hadden ze voor mij verborgen gehouden, omdat ik op alle dag liep van jou. Er kwam toen iemand op bezoek bij moeder Jonker en die sprak erover. Ik zei 'Moeder het is toch niet waar zeker?!', maar moeder moest toegeven dat het wel waar was…"

Nico Fasol - een neef van tante Leentje - was bij de begrafenis van de Tien van Renesse, nadat ze er enige dagen gehangen hadden. Hij kende alle mensen en hij heeft meteen op kunnen tekenen in welke volgorde ze begraven werden. Daarom kon hij na de oorlog bij de herbegrafenis op de officiële begraafplaats van Renesse zeggen welk lichaam van wie was.

Schaapherder Ringelberg vindt dat de landingsplaats geen goeie was en dat de vliegtuigen die overvlogen die de bedoeling hadden het geluid van de boten te verdoezelen, volgens hem tegelijkertijd ook een signaal waren…

Moeder: "Volgens mijn ouders (opa en oma Van Wouwe) was er vooraf al te veel gepraat over het gebeuren, het was in ieder geval van te voren bekend. Er werd ook gezegd, dat er verraad in het spel was. Mensen in de ondergrondse, die nu een uitkering van Stichting '40-'45 hebben zouden geheuld hebben met de Duitsers."

Ringelberg: "Schouwen is als laatste bevrijd… Van Minkema - de coördinator van het gebeuren in Zierikzee - stonden na de bevrijding allemaal mooie stukken in de krant, maar er stond niet bij dat hij hen allemaal heeft willen verraden… Toon de Rijke, de molenaar, heeft hem toen drie dagen in zijn huis vastgehouden, totdat de Tien waren opgehangen; anders waren er zeker nog eens 40 gevangen genomen."

A.J. de Leeuw, wetenschappelijk medewerker van het RIOD, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie schreef mij een brief, gedateerd 6 augustus 1980 naar aanleiding van vragen over eventueel verraad of onduidelijkheden met betrekking tot de gevangenneming.

Hij schrijft: "Ik heb nergens iets gevonden, dat in wezenlijke mate afwijkt van hetgeen de heer Fey schrijft. De heer Fey schrijft echter weinig over het persoonlijke aandeel van Uw vader aan het verzet. (…) Van de Stichting 1940-1945 heb ik inmiddels vernomen, dat Uw vader en zijn broers zich reeds vrij vroeg in de bezetting zijn gaan bezig houden met verschillende vormen van verzet: het helpen van onderduikers, het verspreiden van illegale lectuur, waaronder het verzetsblad Trouw en tenslotte - vermoedelijk wat later - het verzamelen van allerlei wapens, die door hen werden opgeslagen. Allerlei verschillende facetten van het verzet dus, die in een kleine gemeenschap zoals die van Schouwen veelal door dezelfde personen gelijktijdig werden bedreven."

Oom Marius over de tijd daarna: "Cor en Leen waren bij ons. Cor ging vaak met me mee als ik naar Haamstede ging. Hij zei een keer: 'Oom Marius, als je nu een grote ladder hebt, kun je dan bij de Here Jezus komen en kom je dan bij papa in de hemel?'"

Na de dood van Leen komen vader en moeder Van Wouwe met het koetsje van Van 't Hof een dag of wat later om Tan te ontmoeten en te condoleren. In een brief aan Tan schrijft haar moeder daarna bij het licht van een oliepitje 'om hoofdpijn te krijgen':

"Lieve allemaal. Daar Piet morgen bij leven en welzijn naar H'stede hoopt te komen zoo ga 'k nog even een lettertje schrijven. 'k Hoop je het lezen kan want 't is weer bij een pitje geschreven je krijgt hoofdpijn van het turen. Wat was 'k toch blij Tannetje dat we elkander gezien en gesproken hebben en wat mooie weer en niet koud alles heeft wel mee gewerkt he want de andere dag was het koud en mistig, we waren ongeveer 5 uur thuis alles in orde gelukkig. 't Is weer al acht dagen Leen er niet meer is o wat leef je dat alles weer mee in je gedachten je komt er niet over uitgedacht en gepraat ja kind 't gemis is groot voor allen maar inzonderheid voor u, maar te weten dat onze geliefden boven zijn waar niemand meer zal zeggen ik ben ziek en waar geen tranen meer geschreid worden wat heerlijke gedachte voor de achterblijvenden. Ds preekte zo o innig van morgen over Jakobs Pnieël mochten we allen daar komen dat worstelen met God, geloof we zullen veel voor je bidden dat de Heere je kracht moge geven om het opgelegde kruis te dragen bid veel voor en met je kindertjes dat de Heere je in alles tot steun en sterkte wezen mag. De familie Verhoeff was vanmorgen ook in de kerk ja ze hebben ook bizondere troost noodig zoo alles ontnomen en Tan nu is er bericht gekomen he dat Cor ook is heengegaan wat een indroeve toestand voor heel de Familie wij willen ook daar mee dat verlies onze innige deelneming betoonen God heeft het gegeven pand weer tot zich genomen om daarin eens willens te zijn is kracht van boven voor noodig we hoorden dat hij buikvliesontsteking gehad heeft, hij is zeker 18 jaar oud vrijdag hoorden we het vertellen Ben je vandaag ook naar de Kerk geweest 't Is wel een zware gang geweest maar de Heere komt er met zijn troostwoorden, rijke ervaring, wil de kinderen van ons groeten, zoo ga 'k weer eindigen met de hartelijke groete voor je Vader en Moeder en Johan en Nel en jij Tan inzonderheid h gegr en sterkte en het beste toegewenst van je liefhebbende ouders en zusters daag"

Oom Marius over de gebeurtenis die hij gedwongen is geweest te aanschouwen: " 't Ei 'eweest da 'k er elke nacht mee bezig was…"

Oom Piet kon in het hele gebeuren niets positiefs ontdekken, zo verzekerde hij mij wel drie keer in het laatste gesprek dat ik met hem voerde. Met name op het laatst van zijn leven heeft hij geweldig met de zin van het hele gebeuren geworsteld.

Moeder: "Er is natuurlijk een stuk van mijn leven kapot gegaan…"

en ook "Er gaat geen dag voorbij of ik praat wel even met hem."



Hier eindigt het hoofdstuk 'Oorlog en Verzet" door Mario Jonker.



UITLEIDING 1

Er staan heel wat verslagen op deze site van wat er zich op 6 tot 10 december 1944 op Schouwen heeft afgespeeld. Vaak vanuit verschillend perspectief, maar met veel overeenkomsten. Via het verhaal van Mario heb ik nu ook het verslag van dr. L. de Jong, in deel 10b van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Dat mocht niet ontbreken.

Wat me opvalt als ik dit hoofdstuk overzie, is de openhartigheid waarmee de moeder van Mario vertelt over hoe het met haar en haar kinderen gegaan in die decemberdagen. Heel bijzonder. Zij is de enige van de getroffen weduwen van wie we dit allemaal kunnen lezen. Het is ook tere informatie. Mario heeft een monumentje voor zijn vader opgericht, maar ook voor zijn moeder. We kunnen nu haar ook eren en gedenken. Ik ben daar dankbaar voor. Een ontroerende geschiedenis.




Tannetje Jonker-van Wouwe (29 oktober 1915 - 4 november 2007)
Ze was de dochter van Leendert van Wouwe en Wilhelmina Heusevelt.




Laat ik nu op een van mijn andere websites over de Cornelia
een trouwfoto hebben van Leendert en Wilhelmina.
Zie daar hoofdstuk 6.
Hierboven staat een brief van Wilhelmina aan dochter Tannetje,
nadat Leen ter dood was gebracht.




Bovendien een foto van hun 45-jarig huwelijk in Brouwershaven.





UITLEIDING 2

In 2011 had ik contact met ds. Aarnoud van der Deijl. Hij heeft als invaller (de predikant van Renesse was ziek geworden) een overweging gehouden bij de officiële herdenking op 10 december 1994. De intrigerende titel luidde: 'Vergeten is ballingschap, herinneren verlossing'. U kunt haar lezen in hoofdstuk n.

Aarnoud stuurde me nog een artikel 'Een steen in de vijver'. Het verscheen in 'Sporen van een oorlog: Vijftien Zeeuwse plaatsen met een verhaal over de Tweede Wereldoorlog'. De insteek van dat boekje was een interview met 15 mensen uit 15 verschillende Zeeuwse plaatsen. Voor de tien van Renesse was dat Mario Jonker.

Het bijzondere van dit artikel is de trefzekere intelligentie waarmee Mario de impact van de ophanging verwoordt. Zo'n drama is een steen in een vijver, die steeds weer nieuwe kringen maakt.

Hier volgt het artikel van de hand van ds. Aarnoud van der Deijl. Ik wil hem er hartelijk voor bedanken.



Een steen in de vijver

Een steen op de hoek van de Laone en de Slotlaan in Renesse markeert de plek waar zich een groot drama heeft voltrokken. Op 10 december 1944 werden hier 'de tien van Renesse' geëxecuteerd: negen mannen werden opgehangen, de tiende bezweek aan eerder opgelopen verwondingen.

De Duitse bezetter wilde in die laatste, lange oorlogswinter alle mannen tussen de 17 en 40 jaar oud van het eiland deporteren om hen te werk te stellen in Duitsland. Verzetsmensen, onder wie Leendert Marie Jonker, vernietigden daarop de bevolkingsregisters van Renesse en Scharendijke. Er werd een plan bedacht om hen, samen met een aantal anderen, met een bootje van de geallieerden vanaf het al bevrijde Noord-Beveland op te pikken in de nacht van 7 op 8 december. Het plan faalde.

Een maand na de executie van zijn vader wordt Mario (Marie Leendert) Jonker geboren. "Ik draag niet alleen de naam van mijn vader", zegt hij, "maar ik draag ook het trauma mijn hele leven al mee. Ik moet al voor mijn geboorte onbewust de spanning, de schok en het verdriet hebben gevoeld. Mijn moeder was niet alleen haar man kwijt, maar werd dezelfde dag ook haar huis uitgezet. Daar stond ze, hoogzwanger met slechts twee koffers aan eigen bezittingen. Haar drie kinderen werden op andere adressen ondergebracht dan zijzelf.

Ze heeft er nooit goed over kunnen praten. Pas veel later is ze dichterbij gekomen, toen ik haar meenam op een interviewtocht met familie en voormalige vrienden van mijn vader om mijn vader beter te leren kennen en zijn leven voor mijn broers en zus op schrift te stellen. Toen kon ik haar tijdens een herdenking bij het monument in Renesse letterlijk en figuurlijk steunen. Precies tegengesteld aan wat het monument laat zien, dus. Het monument toont een vrouw in Schouwse dracht, die haar gevallen man of zoon opvangt.

Dat monument, dat op de begraafplaats in Renesse staat, heeft een aantal keren in mijn leven een grote rol gespeeld. Ik ben zelf therapeut geworden - ook dat heeft alles met mijn trauma te maken. In mijn leertherapie dreigde ik flauw te vallen in de armen van mijn supervisor.

Terwijl dat gebeurde, zag ik het monument in een flits voor me en zag ik mezelf niet als de vrouw die een ander opvangt, maar als een slachtoffer dat moet worden opgevangen.

Het is mij gaandeweg mijn leven duidelijk geworden dat bij zo'n drama als op 10 december 1944 niet alleen tien mannen en hun families zijn betrokken. Ook de broers van mijn vader, die moesten toekijken bij de executie, raakten getraumatiseerd. Ook hun kinderen hebben op een bepaalde manier hun vader verloren.

Jaren later kwam ik nog mensen tegen die zeiden: 'Ik was van plan geweest om onder te duiken, maar door de schrik van de executie ben ik toch maar naar Duitsland gegaan.'

Heel Schouwen-Duiveland was getraumatiseerd. De impact van zo'n drama is onnoemlijk groot: in afstand - een heel eiland - en in tijd. Dat wordt van generatie op generatie doorgegeven. Ook mijn kinderen hebben last gehad van mijn trauma.

In die zin is dat monument in Renesse een monument voor alle slachtoffers. Een monument dat duidelijk maakt dat zo'n drama als een steen in een vijver is, die steeds weer nieuwe kringen maakt.'