DRIE ARTIKELEN VAN H.MINKEMA

IN JULI 1945

IN DE ZIERIKZEESCHE NIEUWSBODE

EERDER GEPUBLICEERD IN VRIJE STEMMEN

ALLEREERSTE PUBLIKATIE OVER 'DE TIEN VAN RENESSE'



INLEIDING

Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina heeft direct na de bevrijding de wens uitgesproken dat er op korte termijn uitvoerige gegevens worden verzameld, over alle terechtstellingen die gedurende de bezettingsjaren door de Duitsers hebben plaats gehad. Naar aanleiding van dit verzoek is door de Gemeenschap Oud Illegale Werkers (GOIW) te Zierikzee een rapport opgesteld, ondertekend door voorzitter H.Minkema. In drie artikelen is dit rapport in de Zierikzeesche Nieuwsbode van juli 1945 gepubliceerd. Al eerder zag het rapport het levenslicht in het verzetskrantje van Menke van der Beek: Vrije Stemmen. (Zie daarvoor hoofdstuk a.)

Hendrik Minkema was een hoge ambtenaar van de PZEM. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de illegaliteit op Schouwen-Duiveland. Zie daarvoor 'verslag minkema pzem' (rechtermarge). Zijn rapport over de Tien van Renesse is het eerste dat na de bevrijding is gepubliceerd. Het is een chronologische opsomming van de feiten rond de gevangenneming, veroordeling en ophanging van de Tien van Renesse.

Ik vind het een belangwekkend rapport. Ik ga ervan uit dat de ondertekenaar H. Minkema, de auteur is, die uiteraard gebruik heeft kunnen maken van wat zijn mede-verzetstrijders van de GOIW aan feiten hebben kunnen aandragen. Het is de eerste publikatie over de 'Tien van Renesse', die gevolgd zal worden door vele verhalen van ooggetuigen over de gebeurtenissen begin december 1944. Het fungeert als middel om de Duitsers te kunnen aanklagen en berechten. Ze worden met naam en toenaam genoemd, inclusief hun rang, functie en legernummer.

Helaas heeft dit rapport niet geleid tot arrestatie en veroordeling, ondanks de pogingen die daartoe zijn ondernomen.



















UITLEIDING

Het valt op dat het Rapport getuigt van de hoop en de verwachting dat een geslaagde overtocht zou hebben kunnen leiden tot een geallieerde aanval op Schouwen-Duiveland. De mannen van de illegaliteit waren afkomstig van alle delen van het eiland en hadden bij eventuele landingen behulpzaam kunnen zijn. Tegelijk hadden dan de geallieerde militairen en de armeense onderofficier opgehaald kunnen worden.

Het Rapport zet mijns inziens de feiten in omgekeerde volgorde. Het was de geallieerden er allereerst om te doen om hun gestrande makkers op te halen uit vijandelijk gebied. Het lag niet in hun plannen Schouwen-Duiveland aan te vallen. Ze waren allereerst gefocused op de Westerschelde en de haven van Antwerpen. Die was van eminent belang voor de aanvoer van wapens, voertuigen, munitie, brandstof, manschappen en de afvoer van gewonden. De Oosterschelde en de bezetting op Schouwen-Duiveland zouden later wel aandacht krijgen.


Ik leg dit nog eens uit in de volgende clip, opgenomen door Tjeerd Muller,

Waarom kwamen de geallieerden de Tien van Renesse ophalen?




Wat het Rapport schrijft over Cornelis Lazonder wijkt op onderdelen af van andere gegevens, bijvoorbeeld van het getuigenis van Cornelis den Boer (hoofdstuk c.) Hij verklaart dat het "ontzielde lichaam" van Lazonder op 12 december alleen werd opgehangen, toen de negen al waren begraven. Minkema schrijft dat Lazonder op 11 december overleed en toen naast de anderen werd gehangen. Ik denk dat de verklaring van Cornelis den Boer de juiste gang van zaken weergeeft.

Het verhaal van Cornelis den Boer komt overeen met dat van Jan van de Werf. Jan van de Werf getuigt daarover in het Proces-Verbaal van Wisse (hoofdstuk f01)

"Op Maandagmiddag 11 December 1944 te omstreeks 14 uur hebben wij J. v.d. Hoek - J.H. Braber - Gebrs. Kappers - de Voerman L. de Ruijter de stroppen losgemaakt en de 9 lijken naar het kerkhof te Renesse overgebracht. Met de handen op de rug gebonden, hebben wij ze van de stroppen ontdaan. Tijdens het vervoer der lijken van de Slotlaan naar het kerkhof, waren de straten door de Marechaussee afgezet. Hierbij waren ook Duitschers tegenwoordig. Dinsdagmorgen 12 December, toen we in de Slotlaan kwamen, zagen wij het lijk van dhr. Lazonder hangen. Vermoedelijk is die man van Maandag op Dinsdag opgehangen.

Wij weten natuurlijk niet of hij voor de terechtstelling reeds overleden was. Wel weten we, dat hij op Zondag 10 december 1944 toen die andere menschen werden opgehangen, hij er als getuige bij moest zijn.

Toen leefde hij nog en lag op een brancard.

De lijken van de op 10 December terechtgestelden vertoonden geen sporen van geweld. Wel het lijk van de heer Lazonder. Zijn voeten waren ontveld en aan het hoofd had hij een wond.
"


Jan van de Werf verklaart ongeveer hetzelfde in het proces-verbaal van Vijfhuize in (hoofdstuk g.)

Op Maandag 11 December 1944 omstreeks 12 uur heb ik met nog drie andere mannen de slachtoffers van de strop losgemaakt. Het waren J.P. Jonker, L.M. Jonker, W.M. Boot, J. Oudkerk, T.M. Padmos, M.P.M. van der Klooster, J.A. Verhoef, I. van der Bijl en M.K. van der Beek.

Dit is gebeurd nadat de lijken door de Duitsers waren vrijgegeven. Deze negen mannen zijn daarna, welke datum weet ik niet meer, naar de Algemene Begraafplaats te Renesse overgebracht en daar ongekist in een gemeenschappelijk graf naast elkander ter aarde besteld. Ik wil hierbij opmerken dat al de slachtoffers met hun handen op hun rug waren geboeid.

In de morgen van Dinsdag 12 December 1944, zag ik, dat C. Lazonder was opgehangen.

Ook deze is door mij met nog een andere man losgesneden en vervolgens op dezelfde begraafplaats als de andere negen slachtoffers ter aarde besteld.



Hoe bizar is die ophanging van het ontzielde lichaam van Cornelis Lazonder. Ik heb daar geen woorden voor. Demonisch, dat is wat in me opkomt, duivels.

Al met al is het Rapport van Minkema van juli 1945 een indrukwekkend eerste verslag van de gebeurtenissen in december 1944.

Christiaan Wisse schreef zijn belangwekkende Proces-Verbaal een paar maanden later op 1 oktober 1945 en ook dat van Vijfhuize was van latere datum, nl van 10 november 1947.