VERSLAG VAN MARIUS DE GLOPPER






INLEIDING

Hieronder vindt u een belangrijk document: het is het verslag van student Marius Johan de Glopper (15 juli 1925-20 juli 2003). Hij kwam uit Ellemeet en zat op de lagere school bij meester A.C. de Jonge. Na de oorlog dicteerde hij zijn verhaal aan meester De Jonge die het op 21 oktober 1945 in een schoolschrift opschreef. Marius heeft de mislukte poging tot oversteken naar het bevrijde Noord-Beveland overleefd. Miraculeus. Naast het verhaal van Christiaan Wisse hebben we dus ook zijn ooggetuigeverslag.

Het gekopieerde schoolschrift van meester De Jonge bevindt zich in het Gemeentearchief Schouwen - Duiveland te Zierikzee. Op enkele kleine aanvullingen na volg ik zijn verhaal zo precies mogelijk. Van de zoon van meester De Jonge, Henk de Jonge uit Ellemeet, kreeg ik toestemming het door zijn vader opgetekende verhaal op mijn site te plaatsen. Het vormt een waardevolle aanvulling op wat we al weten.

In het genoemde Archief bevindt zich ook een getypt verslag. Ik vermoed dat het van de ons bekende Jaap Schot is. Je zou het een bewerkte vorm kunnen noemen met andere zinswendingen, verklarende toelichtingen enz. Ik heb een voorkeur voor de originele versie in het schoolschrift van meester A.C. de Jonge. Ad fontes (=naar de bron) is mijn devies.

Marius de Glopper was student in de medicijnen. Na zijn afstuderen was hij huisarts te Eindhoven. Nadat hij bevel gekregen had zich te melden en de bekende loyaliteitsverklaring te tekenen, hield hij zich krankzinnig. Dit hield hij twee jaar vol, ook tegenover zijn moeder en verdere familie. Ook een bekend psychiater liep er in. Alleen dokter Stolte was ingewijd. Hij droeg een grote hoed tot diep over z'n oren als hij met z'n geiten door het dorp liep. Hij veinsde wanen: ging bv op de dak van een huis staan en riep dan: "Ik zie de Engelsen komen, ik zie de Engelsen komen d'r an". Zijn ouders waren sinds februari 1944 geëvacueerd naar Wierden en hij was bij dokter Stolte in huis. Bij de Duitsers stond hij bekend als de gekke geitenhoeder.

Het boeiende van zijn verslag is, dat hij nauwkeurig aangeeft, wat hem is overkomen en welke rol hij bij de overtocht heeft gespeeld. Het maakt ons beeld van de poging tot oversteek weer wat vollediger. Aan het slot stelt hij de schuldvraag: dat is begrijpelijk. Marius legde in oktober 1945 de schuld duidelijk bij de Engelse commando's: "Aan hen is dit gebeuren te wijten, doordat zij zich niet stipt aan het plan gehouden hebben!"

Ik vind de situatie te ingewikkeld om Marius hierin bij te vallen. Achteraf kun je zoiets makkelijk zeggen, maar in de hectiek van dat moment werden beslissingen genomen die toen en daar, en in die omstandigheden nodig waren. De juistheid of onjuistheid daarvan is vanaf nu gezien mijn inziens onmogelijk te beoordelen.

Op 10 augustus 2011 had ik een heel vriendelijke weduwe De Glopper-Stoutjesdijk (van 1920) aan de telefoon. Ik vroeg haar om een foto van Marius uit zijn jeugd. Helaas kon ze daarover niet meer beschikken. Ik heb haar onder andere de bovenstaande inleiding voorgelezen. Ze reageerde met: "Het klopt precies." Misschien dat er toch nog ergens een foto van Marius opduikt. Het mag ook een latere zijn.


VERSLAG VAN MARIUS DE GLOPPER

"Op zondagmiddag 3 december kwam om ongeveer 5 uur dominee F. Kleinman hevig ontsteld bij ons binnenstormen en riep mij al van een afstand toe: "Zorg dat je onmiddellijk verdwijnt, je hebt achterland genoeg."

Toen hij enigszins tot bedaren gekomen was, bleek uit zijn woorden, dat de Duitsers lijsten hadden opgevraagd van de mannelijke bevolking van 17 tot 40 jaar. Dominee K. probeerde toen bij dokter Westhoff, bij wie ik in huis was, of deze een geschikte duikplaats wist voor de gemeentesecretaris, de heer C. Lazonder. Deze stemde direct toe. Om 6.45 was L. aan ons huis, maar toen bleek dat dokter W. ook niets wist en daarom zou ik zorgen dat dhr L. verdween. Ook ik wist op dat ogenblik niet precies waarheen. Daar ik echter zelf enige tijd op Ellemeet ondergedoken was geweest, dacht ik ook hem daar wel te kunnen bergen.

Om ongeveer 7 uur vertrokken we achter door de schuur heen, het was aardedonker en achter het dorp langs dwars door het bos van slot Moermond heen, dat op vele plaatsen erg drassig was, vanwege het uit de duinen komende regenwater. Van Moermond naar "de Helle" over het bouwland heen en vandaar door Helleweg naar de Noordkant. Op "de Haard" bij van den Hoek vlotte het niet, daar er erg veel moffen kwamen en de hoofdweg Brouwershaven-Renesse langs het huis liep. De hofstede van Blom was beter gelegen en dankzij de inwonende landbouwer van der Slikke kon Lazonder daar blijven. Diezelfde nacht is L. op "de Helle" in de koestal gebleven daar gebracht door C.P. vd Hoek, die ook mij eerst bij Blom bracht. Op mijn verdere weg naar Ellemeet is een moffenpatrouille per buitgemaakte jeep mij 2 x gepasseerd.

Dinsdagmiddag 5 december kwam dokter W. bij mij op Ellemeet en deelde mij mede dat ik meekon naar de overkant, het bevrijde gebied. Enige personen zouden mij afhalen, waarna we ons zouden begeven naar Scharendijke naar C.J. van Dongen, die ons verder zou voeren naar Zierikzee. Het werd echter al aardig laat, maar niemand verscheen. Toen ben ik zelf naar van Dongen gegaan. Daar waren reeds de gebroeders Jonker uit Haamstede aanwezig, die mij vertelden dat M. Quant niet meeging.

Zelf wisten ze echter het concentratieadres in Zierikzee niet, dus konden we niet verder. Daarop ben ik weer teruggegaan naar Ellemeet en was van plan te trachten L. te bereiken. Deze vond ik samen met Joh. Oudkerk bij van den Hoek. Beiden hadden valse pb's en heetten resp. Leendertse en Bout, van beroep landbouwer. Deze hadden al getracht mij te waarschuwen via de zoon van van den Hoek. Gedrieën begaven we ons op weg naar Scharendijke. Daar had de fam. van Dongen reeds voor een maaltijd voor ons gezorgd.

Met van Dongen als gids gingen we gezamenlijk op de fiets over geïnundeerde en slechte wegen op weg naar Zierikzee. We zouden daar blijven in een huis gelegen vlak bij Zierikzee waar eertijds J.W. Rashof gemeentepolitie ingewoond had.

Na enige moeite konden we in het huis komen, dat nog niet open was, daar van den Beek ons pas later had verwacht. Het was gelegen aan de hoofdweg Zierikzee-Haamstede net buiten Zierikzee. Geruime tijd na ons kwamen Wim Boot en Adrie Padmos aan. De laatste was in de buurt van Brijdorpe in een sloot gereden, misleid door de electriciteitspalen, die daar stonden.

In Zierikzee heeft hij met ondergoed van Wim Boot en mijn regenjas het zich een beetje behagelijk gemaakt, zo goed en zo kwaad als dat ging in dat betonnen huis, zonder enige verwarming.

Woensdag om kwart voor vijf verschenen de andere deelnemers van de tocht, tot donker toe. Het laatst verschenen de sergeants Bernard Black en Philip Hudson, de Hollander Bernard de Leeuw van de Commandotroepen en een Armeens onderofficier, die al geruime tijd in Zierikzee was ondergedoken.

Enige tijd later, dus volop in spertijd gingen we in drie groepen naar de dijk. Het punt waarvan we gehaald zouden worden was gelegen recht voor de Boerenweg. De lichtseinen werden dien avond gegeven, in de richting Colijnsplaat, door M.K. van der Beek, politieagent te Zierikzee en leider der groep en Joost Ringelberg.

Het was een koude natte avond, die zesde december met een onophoudelijke regen. Geregeld zagen we vlak aan de waterkant die twee donkere gestalten bij het flitsen hunner seinlampen. Al heel vlug was er een vliegtuig boven ons, dat bleef totdat volgens berekening de boot al een heel eind met ons in zee had kunnen wezen. De boot verscheen echter niet, zodat we tenslotte in omgekeerde volgorde weer teruggingen naar Zierikzee, diep ontgoocheld, daar van onze kant alles in orde geweest was.

Eerst werd weer vergaderd in het witte huis, daar niemand brood of eten bij zich had besloot van der Beek ons allen mee te nemen naar het huis van dokter J.J. Westerdorp Boerma in de Poststraat, dat hij nog pas bewoond had. De drie geallieerden werden door Ringelberg meegenomen, die hen ook door de Duitse wachtposten van Nieuwerkerk naar Zierikzee gebracht had. Van der Beek vertrok met een groep via de Zuidwellestraat, de anderen volgden mij door de Regenboogstraat en de Manhuisstraat.

Binnen werden we verwelkomd door een rokende kachel, waaromheen we onze natte spullen konden drogen. Daarna werd met man en macht aan het eten gewerkt. Het was verrukkelijk na zoveel kou en na zo lange tijd weer zo'n maal te genieten. In een aangrenzende kamer werden veldbedden klaar gemaakt, waarop zij aan zij ongeveer tien man sliepen. Voor de meesten hun laatste nacht op een behoorlijk bed.

Pas laat werden we de volgende morgen wakker. Eerst werd de Leeuw weggeroepen, daarna ik. Toen bleek dat we een boodschap moesten vertalen in het Engels, die dan via de telefoon doorgegeven zou worden. Daarin stond dat wij op de afgesproken tijd en op de juiste plaats waren en precies volgens de plannen gehandeld hadden. Dat zij het leven van velen in gevaar gebracht hadden en dat we deze avond het nog eens zouden proberen, maar in verband met het tij een uur later. Dit werd 's middags via de hoogspanningsleiding van P.Z.E.M. vanuit de woning van de heer Minkema doorgegeven naar Sint Philipsland.

De opstelling werd nu anders. Voor spertijd, vanaf 3 uur vertrokken de meesten al naar een vlak aan de dijk gelegen dijkwerkershuis. Oudkerk vertrok met Padmos, hij werd bij de Lievensmonster toen aangeroepen door moffen; ze gingen echter bij Padmos' tante binnen en kwamen zodoende na mij en Boot daar aan. Toen wij beiden vlak buiten Zierikzee waren, passeerde ons de Ortskommandant van Z. Baumann, die Boot, daar hij veel in het café van zijn vader kwam, goed kende.

Tegen donker verschenen de buitenlanders weer. De signalen werden die avond gegeven door van der Beek en mij, met een witte en een rode lamp, afgeschermd met conische kartonnen kappen. Recht achter ons lag achter de betonnen glooiing de Leeuw op uitkijk. Marechaussee Wisse patrouilleerde verder naar Haamstede en Renshof, die niet mee over zou gaan, stond tussen de Leeuw en Zierikzee. Na ongeveer tien minuten seinen ontvingen we signalen terug en wensten elkaar reeds geluk. Alle kou was vergeten.

Toen na ongeveer zeven keer contact te hebben gehad, moesten we stoppen daar er een auto uit Zierikzee in de richting Haamstede kwam. De boot stopte toen ook. Direct nadat de auto weg was zetten wij het seinen voort, maar ontvingen geen sein meer terug. Verbeten hebben we doorgeseind maar moesten tenslotte ophouden. Weer moesten we de anderen teleurstellen. Ze stonden al gepakt toen we het huis betraden. Ze hadden de boot gehoord en dachten niet anders of ze konden zo instappen. Hun verslagenheid was droevig om te zien. Wat nu te doen?

Weer werd afgesproken naar Zierikzee terug te gaan en hieraan hebben tenminste Wisse en zijn vrouw en ik het leven te danken. Voor de groep die uit het Westen van het eiland kwam, zou ik als gids optreden, behalve dhr Lazonder, die per speciale gelegenheid naar Renesse gebracht zou worden.

Wisse zou met zijn vrouw op de fiets voorop gaan. Daarachter, op 100-150 meter zouden wij volgen. Toen hij wegreed veranderden van der Beek en ik het plan enigszins. Twee uit de Westkant zouden ook nog voorop gaan en in Zierikzee alvast de fietsen klaar zetten. Dit namen Wim Boot en ik op ons. De beide fietsen die we namen waren echter van Oudkerk en Padmos, waarop die beiden achter Wisse aanreden.

Kort nadat ik op de weg was, als laatste daar ik om te zien of allen er waren, ze langs me had laten gaan, verscheen er uit de richting Zierikzee een wit licht, het teken dat er onraad was. In grote haast zijn we toen bovenop de dijk gaan liggen, met de beton glooiing tussen ons en het zeewater. Het duurde wel zeven minuten voor er verder iets gebeurde. Dhr. Lazonder kroop nog iets naar voren naar van der Beek toe. Vier gestalten zag ik de dijk opkomen, tot vlak bij onze voorste mannen. Toen is van ons iemand opgesprongen en direct daarop werd er met een licht pistool geschoten. Het ruitelend geluid van iemand die een schot door zijn longen kreeg klonk.

Onmiddellijk ben ik daar ik ongewapend was, over het muurtje gesprongen en naar de zee gelopen. Met mij zag ik in het licht van de door de moffen afgeschoten lichtkogels meerderen weglopen, echter allen aan de binnenzijde der dijk. Lang floten de kogels om mij heen. Langs de zeezijde ben ik soms kruipend, wanneer het al te hevig werd, gelopen tot halfweg Suzanna Kisters inlaag. Op dat punt heb ik mijn papieren in zee gesmeten, en mijn verdere spullen tussen de basaltblokken verborgen. Mijn laarzen verdwenen in de inlaag.

Toen ik op driekwart door de Inlaag was schoten ze nog weer een lichtkogel over me heen, wellicht hadden ze iets bespeurd, want direct daarop floten er vele kogels. Toen ik net uit het water was weer hetzelfde liedje en nauwelijks over de hoofdweg schenen ze met een sterke lamp op de muur van een der huizen daar vlakbij. Vanaf het Pikgat ben ik de wegen zoekende met een lat naar Kerkwerve gegaan. Door en door nat en barrevoets, tot ik een hofstede waarop wel 40 cm water stond een paar klompen vond en een oude visserskiel die ik tegen een colbertjasje verruilde.

Vlak buiten Kerkwerve brak mijn ene klomp, en op een kous en een klomp werd de reis voortgezet naar de Hoek van den Bout. Daar vond ik mijn eerste onderdak bij Van der Bijl en moest hen al op het ergste voorbereiden t.a.v. hun broer Iman. Daar leende ik fiets en regenjas en ging nog verder naar Smit van Dongen. De hele verdere dag heb ik daar doorgebracht. Door hem werd Renesse ingelicht over wat er gebeurd was, opdat ze op hun hoede waren.

Al vroeg hoorden we dat in Zierikzee de politie gevangen genomen en op de andere dorpen ontwapend was. Toen wist ik dat van der Beek niet ontkomen was. 's Avonds ging ik naar Ellemeet en begreep toen wel dat Wisse met zijn vrouw ontkomen waren.

Tot Zondagmiddag ons verteld werd, dat om 12 uur (w.t.) in de Laan van het slot Moermond waren opgehangen:

M.K. van der Beek uit Zierikzee,
I.M. van der Bijl van Zonnemaire,
M.P.M. van der Klooster, J.A. Verhoeff van Brouwershaven,
W.M. Boot, Jo Oudkerk en A.M. Padmos van Renesse,
J.P. Jonker en L.M. Jonker uit Haamstede.

Verscheidene mensen uit Renesse en Haamstede hadden moeten toezien, ook familieleden. Corn. den Boer van Haamstede heeft nog gezien hoe de mannen de strop werd omgedaan. Den Heer C. Lazonder had op de brancard liggend voor zijn eigen strop moeten toezien hoe onze negen vrienden daar werden vermoord.

Sinds hun gevangenneming bij Zierikzee op Donderdagavond tot hun terechtstelling hebben de mannen geen eten noch drinken meer gehad. Door de Zoll-Sekretar uit Zierikzee zijn vooral van der Beek en Boot op een beestachtige manier met gummistokken mishandeld. Tijdens het vervoer per schip naar Goeree-Overvlakkee, waar het vonnis is uitgesproken door de Frontcommandant von Allersleben, hebben ze voorover op het schip gelegen. Met hen werd, hoewel ze van niets wist, Anna Hage overgebracht. Zij is vrijgesproken, maar verscheen niet meer op het eiland. De Armeens Onderofficier sprong in Brouwershaven overboord en is nooit meer teruggezien.

Zondag voormiddag 10 Dec. werd dominee Voorneveld uit Haamstede tijdens de godsdienstoefening weggeroepen om hen, die toen in een bunker op Slot Haamstede gevangen zaten, geestelijke bijstand te verlenen. In die betonnen kerker hebben ze samen Ps. 23 gelezen en gebeden. Daarna werd op verzoek van één nog Ps 90 (=Ps 91 GS)gelezen en voor een ander het eerste couplet van het Lutherlied gezongen: "Een vaste burcht is onze God". Dit was hun laatste getuigenis op aarde.

Daarna zijn ze naar Renesse gevoerd. Lazonder is op de meest ruwe wijze per huifkar gebracht. De wagenbestuurder (een Armeen) had opdracht zo hard en hotsend mogelijk te rijden. In Renesse is hij nog even in het NoodZiekenhuis geweest en toen ook naar de plaats der terechtstelling gebracht. Zo niet lichamelijk, dan wel geestelijk hebben de beulen hem ontzettend gekweld.

De ontzielde lichamen hebben 24 uur gehangen aan de plaats der terechtstelling. Het lijk van Lazonder werd 's maandags opgehangen en bleef ook 24 uur buiten.

Toen zijn ze zonder kist in één groot graf op het kerkhof te Renesse begraven.

Het vonnis luidde verder, dat alle eigendom van hen verbeurd verklaard werd.

Dit gedeelte is enkel op Brouwershaven in alle gestrengheid uitgevoerd; de van hun zoon beroofde ouders Verhoeff werden door zwaarbewapende soldaten direct de straat opgejaagd. Dit gedeelte is op Renesse, door Oberluitenant George Wels niet uitgevoerd, evenals het feit dat de terechtstelling moest geschieden midden op het dorp.

's Maandags zochten de moffen me al maar dankzij Wachtmeester Schelfaut der marechaussee, werd hun aandacht eerst op mijn oom gevestigd, die Dinsdagsmorgens werd opgepikt en na een halve dag weer vrijgelaten. Daarna informeerden ze bij vrienden en pakten L.Evertse en C vd Hoek op. Allen wisten echter niets anders te vertellen dan dat ik bij de dokter was en met geiten over het dorp liep. Tegen één van hen (Wim de Vos) liet Wels los: "Dan de Glopper. Der musz ich haben, der scheint mir der wichtigste zu sein!" Behalve van den Hoek werden allen weer losgelaten. Deze bekende dat hij zonder dat zijn ouders het wisten, Lazonder één nacht in de schuur had laten slapen, en hem eten gegeven had. 's Zaterdags werd hij weer losgelaten.

Daar ik het Ellemeet niet langer vertrouwde ging ik via Van der Hoek naar De Helle, liep even bij van der Slikke langs, alles om een betere plaats te vinden, en 's Woensdagavond van De Helle naar Renesse, waar ik mij tot de heer Vriesendorp wendde. De Ortskommandant had hem opgedragen inlichtingen over me in te winnen. Hij kon me volgens hem niet helpen en weer trok ik verder. Daarop trok ik via dokter Westhoff naar P. Stoutjesdijk in de Molenweg. Hoewel ze er erg op tegen zagen, namen ze me direct op.

Ongeveer een uur later verschenen dokter W. en de heer Vriesendorp die me de zaak nog eens uitlegden, namelijk dat ik gezocht werd en dat in mijn plaats gijzelaars genomen zouden worden, zodat het voor de bevolking het beste was, dat ik mij aanmeldde.

's Avonds om 19.34 uur was ik op de Ortskommandantur en vertelden ze al tegen elkaar 'der de Glopper ist da.' De heer Vriesendorp en de dokter konden direct weer omkeren. 's Nachts werd ik nog even door Wels verhoord en donderdags voormiddags naar Haamstede overgebracht. Daar werd ik direct verhoord en werd ervan beschuldigd Lazonder naar Zierikzee gebracht te hebben. Volgens hen, wat haast niet aan te nemen is, want waarom verhoorden ze me maar één maal, had Lazonder dat nog voor zijn sterven meegedeeld. De drie dagen bunkerstraf die me beloofd werden toen ik ontkende, werden er vijf. Dinsdags om één uur was ik weer thuis, zonder verder verhoor, na enige keren per dag te moeten aanhoren: "Sie werden aufgebummelt".

's Woensdags begon de deportatie van alle valide mannen naar Duitsland, 20 December 1944.

Dat de boot de 1e avond niet verscheen was te wijten aan motorpech op zee. Veel te laat kwamen ze toen volgens hun verklaring aan de kant.

Het onraadsein Donderdagsavonds was afkomstig van Wisse, die door zeven zwaargewapende moffen werd aangehouden. Volgens hen was er een lichtkogel afgeschoten aan de dijk, en ze vroegen of hij die ook gezien had. Hij vertelde van niet, dat hij van Haamstede kwam, en een lekke voorband had, aldoor maar lichtend op het wiel.

Volgens de mannen van de boot waren ze toen wij ophielden met seinen doorgestoomd en verder bij Kisters inlaag aan wal gekomen. Daar waren ze een moffenschildwacht gepasseerd, die ze, daar hij achter een loopgraaf stond, niet onschadelijk konden maken. Ze zijn toen tot aan de Boerenweg geweest maar zagen niets, wij waren toen in het huis. Toen ze weer scheep gingen schoot de schildwacht een lichtkogel af, die in Zierikzee gezien is. Renshof vertelde tegen Minkema dat alles voor elkaar was, de lichtkogel was het teken dat wij aan boord waren.

Toen ik aan de basaltglooiing lag, heb ik de boot gezien, maar kon haar niet bereiken.

Waarom is die groep van de Commandotroepen, die het gevecht gehoord en gezien moeten hebben, ons niet te hulp gekomen! Ze wisten dat we met achttien waren, waaronder geallieerde soldaten.

Aan hen is dit gebeuren te wijten, doordat zij zich niet stipt aan het plan gehouden hebben! "


Aldus het verslag van Marius de Glopper aan meester A.C. de Jonge te Ellemeet, die het opschreef in een schoolschrift op 21 oktober 1945.


De rol van Marius de Glopper komt ook aan de orde in de volgende clip, door Tjeerd Muller gemaakt, Hoe dichtbij was het slagen van de onderneming?