VERSLAG VAN DR. WESTHOF








Kasteel Moermond te Renesse



INLEIDING

In het Archief te Zierikzee stuitte ik op een uitvoerig verslag van dr. Westhof te Renesse. Zijn schuilnaam was dr. Sijthof. Hij kwam uit Amsterdam, waar hij als arts een praktijk had in de Leeuwarderstraat. Hij bevond zich op Renesse als onderduiker onder de naam Sijthof. Hij nam waar in de praktijk van dr. Stolte, die het eiland verlaten had. Tegelijk was hij werkzaam in de illegaliteit van Schouwen en Duiveland. Zijn verslag heeft dan ook als opschrift: Gebeurtenissen in Renesse in '44-'45, voor zover mij bekend, de illegaliteit betreffende.

Het zou me niet verbazen dat hij zijn ervaringen uit de laatste maanden van 1944 aan het papier had toevertrouwd op verzoek van Christiaan Wisse in het kader van het verzamelen van materiaal tegen de Duitsers die de Tien van Renesse hebben opgehangen.

Interessant is zijn kijk als Amsterdammer op de Zeeuwse situatie. Hij looft en laakt beide. Een man als Lazonder prijst hij om zijn zielegrootheid. Hij laakt de kletskouserigheid op Renesse. Leest u zelf. Het voegt weer iets nieuws toe. Misschien zal iemand zeggen: veel wist ik al. Voor mij voegt zijn verhaal iets wezenlijks toe: hoe kijkt een Amsterdamse buitenstaander, als arts gewend scherp waar te nemen, tegen de gebeurtenissen in december 1944 aan.

Zijn negatieve opmerkingen over de lakse houding van vele Zeeuwen vind ik nogal generaliserend. Overal trof je lakse Nederlanders aan naast mensen die hun leven waagden in de strijd tegen de bezetter. Waarom Westhof zo scherp uithaalt naar de Zeeuwen is mij onduidelijk.

Aardig detail is dat dr. Westhof de bevalling van Huib Vriesendorp deed eind november 1944 op kasteel Moermond.


VERSLAG VAN DR. WESTHOF OVER DE GEBEURTENISSEN IN RENESSE IN DECEMBER 1944


"Amsterdam, 29/7 '45.

Gebeurtenissen in Renesse in '44-'45, voor zover mij bekend, de illegaliteit betreffende.

In Renesse gekomen in mei '44 was ik daar een volkomen vreemde. Van plan om mij voorlopig niet te bemoeien met de illegaliteit, kreeg ik uiteraard ook geen contact met hen, die zich daar voor het illegale werk moeite gaven.

De enige illegale krant, die er geregeld verscheen en die ik ook onder ogen kreeg, was het maandblad Trouw, waar mijn voorganger dokter Stolte relaties mee had gehad (dit hoorde ik van zijn vrouw). Aangezien hij het eiland verlaten had, had hij zijn werkzaamheden voor het blad over moeten dragen en ik hoorde al spoedig dat hij daarvoor had uitgezocht J. Oudkerk, die nu voor de verspreiding zorg droeg. Oudkerk had ook zijn radio niet ingeleverd en aangezien ik niet gemakkelijk aan berichten komen kon, kreeg ik al spoedig via mevrouw Stolte van Oudkerk toestemming naar zijn radio te komen luisteren, die toentertijd op een goede plaats was opgeborgen, namelijk in zijn werkschuurtje in de Zandstraat, waarvan slechts hoogst enkele mensen op de hoogte waren.




Johan Oudkerk nam het levensgevaarlijke werk op zich
van de illegale pers: in dit geval Trouw.
Hij was ook actief in het verzamelen
van militaire gegevens over de Duitsers.
.


Er werd namelijk in de zomer nogal intensief door de moffen naar radio's gezocht, onder andere werd er op een nacht huiszoeking gedaan bij dokter Aris, chirurg, dhr. Vriesendorp, dhr. J. Stevense, veearts, en J. Dupon, schoolarts, omdat volgens de moffen de "elite" te goed op de hoogte was van het nieuws (het was de tijd van de invasie in Normandië en wat volgde, waarvan ieder in het dorp op de hoogte was). Inderdaad had J. Dupon een toestel, doch hij was van te voren gewaarschuwd en had het uit huis gebracht. De huiszoeking leverde slechts twee toestellen op, één bij K. Horst, die onmiddellijk moest evacueren en één bij M. Boot in de Laan, wien geen kwaad geschiedde, omdat hij collaborateur was, of erger (?).

Intussen begon ik te geloven dat er op het eiland niet voldoende militair voorbereid was om een eventuele invasie te doen slagen (de kans was toen groot, dat er in Nederland een tweede landing zou plaatsvinden) en ik begon naar contacten te zoeken met organisaties op de vaste wal om dit uit te vinden. Ik wist dat er een bundeling was ontstaan van vele illegale organisaties, onder andere tot uiting komend in de oprichting van de G.A.C. [Groote Advies-Commissie der Illegaliteit (GS)] en ook dat er in militair opzicht coördinatie plaatsvond, zodat contact met een van de grote organisaties voldoende was.

Via Oudkerk lukte het mij in contact te komen met een koerier van de O.D. Deze kwam onder de schuilnaam "Leo" bij mij en deelde mij mede dat de O.D. op Schouwen de enige organisatie was die ingeschakeld werd voor de voorbereiding van de bevrijding en hij zei mij ook gaarne van de door mij aangeboden diensten gebruik te willen maken. Ik zou er nog nader van horen.

Inderdaad kreeg ik enige tijd later bezoek van de heer Swaters, die vertelde D.C. van de O.D. op Schouwen- Duiveland te zijn en mij vroeg P.C. (plaatselijk commandant) voor Renesse te willen worden. Op mijn protest, dat ik als vreemdeling daar nu niet de aangewezen man voor was en dat bijvoorbeeld dhr Vriesendorp in ieder geval meer gezag zou hebben, deelde hij mij mede niemand anders ervoor te kunnen vinden en dat dhr Vriesendorp plaatsvervangend D.C. was voor het geval Swaters gepakt zou worden, zodat hij vrij moest blijven.

Later zou ik gedrukte instructies krijgen omtrent bedoeling en werkwijze der O.D. Deze ontving ik ook inderdaad. Mijn exemplaar heb ik vernietigd, misschien zijn er nog wel ergens te krijgen. De bedoeling der O.D. was, in tegenstelling tot meer actieve organisaties om niet handelend op te treden vóór de bevrijding een feit was en het voornaamste doel was dán de orde te bewaren, NSB-ers te beschermen tegen de volkswoede enzovoorts. Een en ander was mij al bekend en ik betreurde het, dat er op Schouwen geen organisatie werkte, die pas om 5 minuten over 12 activiteit dacht te ontplooien. Van te voren behoorde er niet anders gedaan te worden, dan het aanwijzen en uitzoeken van de verschillende mensen voor de verschillende taken, die ze na de bevrijding moesten invullen.

Voor de sectie Politieke Opsporing en Politionele bevoegdheid werd aangezocht de heer Schelfaut, of liever gezegd, die was daar al eerder dan ik het met Swaters over eens geworden. Schelfaut, Vriesendorp en ik belegden een vergadering op Moermond, waar de richtlijnen uit onze instructies besproken werden. Er werden lijsten aangelegd van NSB-ers en collaborateurs, mannen uitgezocht, die politie- en ordonnancediensten moesten verrichten, oranje banden en identificatiebewijzen in gereedheid gebracht enzovoorts.

Gelukkig beperkte onze activiteit zich niet uitsluitend tot de voorbereiding van wat er om 5 over 12 gebeuren moest. Er werden gegevens verzameld over de versterkingen der moffen, de ligging der mijnen, enz, waarbij Oudkerk een ruim aandeel had en die werden voor verdere verzending naar Zierikzee gebracht.

Op Dolle Dinsdag was onze verwachting hoog gespannen. De wildste geruchten deden de ronde en we hielden een laatste vergadering in de verwachting spoedig in actie te kunnen komen. De tijd verstreek echter, terwijl er slechts verwoed gestreden werd om de Scheldemonding. In oktober traden we even in actie. Duitse vliegtuigen gooiden in de nacht munitie uit bestemd voor in het nauw gebrachte garnizoen op Walcheren, die terecht kwam tussen Scharendijke en Renesse dichtbij de woning van A. van der Pauwe. Deze liep naar Schelfaut, die hij aanzag voor illegaal, zonder dat overigens zeker te weten en die gaf hem (van der Pauwe) opdracht de rommel in de sloot te smijten.

Dit gebeurde, de volgende dag was er echter weer munitie ongeveer op dezelfde plaats gevallen. Van der Pauwe durfde er niet aan komen, doch waarschuwde ons weer, zij het veel te laat, daar het al laat in de morgen was. Toch konden H. van de Hoek en Van Oudkerk nog enkele pantservuisten wegwerken, doch toen wij (ik was er intussen ook bij gekomen) bezig waren een groot pak raketprojectielen te verslepen, kwamen er moffen aan die gewaarschuwd waren door de bevolking van Scharendijke. Gelukkig konden we nog net alledrie in een andere richting lopen en ons met een smoesje er van afmaken.

Na Dolle Dinsdag was Oudkerk minder voorzichtig geworden met zijn radio. Hij had die in huis gehaald en liet er veel te veel mensen toe. Een van hen of een van de buren, die de mensen daar geregeld zag komen, verraadde hem bij de Duitse politie, die in het café van Prummel resideerde en de Orts-Kommandant (O.K.) gaf op een dag bevel tot een huiszoeking. Toevallig zaten toen, niet voor de radio, die werkte al niet meer, I van der Bijl uit Zonnemaire met een opdracht voor de O.D. en M. de Glopper met een opdracht van mij.



Geregeld komen we in de verhalen de naam
tegen van Iman van der Bijl uit Zonnemaire,
ook zo'n ijverige verzetsman.
.


Dit was natuurlijk verdacht, alle drie (Oudkerk ook) werden ze bij de Orts Kommandant ontboden en kregen bevel te evacueren. Van der Bijl was toen al ondergedoken op het eiland, dus die ging weer naar zijn duikadres, de Glopper ging tijdelijk in Ellemeet wonen en Oudkerk en zijn vrouw kwamen in huis bij Nico Beye.

Na de verovering van Geertruidenberg zaten we zonder electrische stroom en daarmee zo goed als zonder berichten. Gelukkig werd er in Zierikzee een krantje gedrukt, dat (ongeregeld) naar Renesse werd gesmokkeld en hier verspreid. Schelfaut fungeerde voor contactadres en nam gelden voor het goede doel in ontvangst die verantwoord werden in het krantje. Oudkerk en na diens onderduiken A. Padmos zorgden voor de distributie. De bezorging uit Zierikzee ging aanvankelijk zeer onregelmatig daar de verbinding niet eenvoudig was door een door de moffen uitgevaardigd reisverbod.



Een van de verzetsactiviteiten van Aad Padmos
was zorg voor verspreiding van de illegale krantjes.
Zoals ik al zei: levensgevaarlijk.
.


Later hadden we in Van der Bijl, die voor zijn werk geregeld naar Zierikzee moest en in C.J. van Dongen uit Scharendijke, die de krantjes voor Renesse en Haamstede uit Brouwershaven haalde en bij ons bracht, goede koeriers.

De maatregelen van het moffendom begonnen intussen steeds minder rekening te houden met de eerste beginselen van internationaal recht. Onder andere werd er met de grootste willekeur arbeidsplicht aan militaire doelen opgelegd aan de burgerbevolking en toen daar pogingen tot verzet tegen rezen door middel van afkondigingen met de doodstraf gedreigd. Ook werd er gedreigd gijzelaars te nemen voor het niet te voorschijn komen van mensen.

Wij, dat wil zeggen enkele van ons illegale werkers, vonden het nodig daarop de InselKommandant een brief te schrijven, waarin wij hem herinnerden aan, van Engelse zijde bekend gemaakte straffen tegen oorlogsmisdadigers. Inderdaad scheen het te helpen, er werd tenminste tegen onwerkwilligen niets ondernomen, noch werden er gijzelaars genomen.

Een heel stel slappelingen onder de mannelijke bevolking bood echter (nog na september '44!) vrijwillig zijn diensten aan de mof aan voor bunkerbouw. Deze lieden liepen toen ik uit Renesse wegging nog prinsheerlijk frank en vrij rond. En anderen durfden niet weigeren toen ze opgeroepen werden, zodat wij, dit ging natuurlijk niet van de O.D. uit, evenmin als de andere beschreven geïmproviseerde pogingen tot verzet, het nodig vonden onder de werklui aan de bunkers nogmaals een waarschuwing te doen circuleren om hen op hun vaderlandse plicht te wijzen. Ook deze circulaire raakte door verraad in 's vijands handen. Bovendien werd er zeer zorgeloos met de "Vrije Stemmen" omgesprongen, zodat daar ook exemplaren van den mof in handen vielen.

Over het algemeen moet gezegd worden, dat de verzetshouding van de Renessenaars mij zeer tegen is gevallen, enkele gunstige uitzonderingen daargelaten. Men deed zonder eigenlijk veel te mopperen precies wat de vijand beval, ging daarin bijvoorbeeld veel verder dan in vele andere streken in Nederland. De enigen die eeuwig en altijd de kritiek der bevolking trof, waren onze regering in Londen, onze geallieerde bondgenoten en de illegale werkers. En bovendien was het illegale werk in Renesse dubbel gevaarlijk en moeilijk omdat, behalve dat men er geen sympathie voor had, men door voortdurend en venijnig geklets geen enkel geheim veilig bewaarde en men met een ware wellust het leven van de illegalen daardoor op het spel zette.

Doch zetten we onze historie voort. Zeeland en Brabant werden veroverd behalve Schouwen. Er waren weken, dat we van dag tot dag de landing verwachtten, doch ze bleef uit. Een aantal mannen, de besten die er waren, begon het te vervelen. Zij wilden actief wat doen voor hun vaderland, niet wachten tot men alles voor hen had gedaan.

Daar kwam nog bij, dat de moffen aanstalten begonnen te maken de mannen allen weg te slepen, zoals ze in andere streken in Nederland hadden gedaan. De gemeentesecretarissen moesten de namen van de mannen van 17 - 40 jaar opgeven. Niettegenstaande de uitdrukkelijke bevelen van Londen hierover hebben ze allen op Schouwen hun ware aard niet verloochend en zoetsappig den mof gehoorzaamd.

Alleen de secretaris van Renesse toonde zich een man. En dan nog: er is meer moed voor nodig om iets te doen dat gevaarlijk is, wanneer men alle consequenties ervan onder het oog ziet en hier na aarzeling toch besluit de juiste weg te volgen, dan in dolle drift zonder naar links of rechts te kijken "rücksichtslos" in één richting voort te stomen. In deze zin bezien getuigde de daad van Lazonder werkelijk van een heel bijzondere zielegrootheid, waarvoor ons niet anders dan een eerbiedig zwijgen past! Zonder aan de verdienste van Wim Boot tekort te willen doen.



Dr.Westhof wijdt zeer lovende woorden
aan Cornelis Lazonder.
"Een daad van heel bijzondere zielegrootheid".
.


Lazonder dook onder met vrouw en kind. Wij brachten hem naar de hofstee van Blom, haar en het kind bij K. Verseput op de Hoogezoom. Het archief werd door H. v/d Hoek en A. Padmos uit de kluis gehaald en opgeborgen op een veiliger plek. Ook bij de distributie werden maatregelen genomen om een registratie onmogelijk te maken. Driemaal schande over de mensen, die toch een registratie hebben bewerkstelligd. Zij hebben een heldendaad ongedaan gemaakt (mogen zij dit ooit in hun leven beseffen, dat zij verraders waren!).

Nu zou er een poging gedaan worden door enige goede Nederlanders op Schouwen om zich bij de geallieerden te voegen. Daarmee zouden vele vliegen in één klap geslagen worden.

1e zouden onze gezochte mensen in veiligheid gebracht worden, Lazonder, Boot, Oudkerk, De Glopper en Quant uit Haamstede, die Tommies had verborgen en daarvoor op de moffenlijst stond. Bovendien zouden er drie Tommies weggaan, die in Nieuwerkerk verborgen werden.

2e zouden er belangrijke militaire inlichtingen overgebracht worden, die ons aller bevrijding konden bespoedigen.

3e zouden een aantal mannen die hunkerden erop los te mogen gaan gelegenheid hebben zich bij het geallieerde leger te voegen.

We hadden contact met de "overkant". Zelfs ik wist aanvankelijk niet hoe. Later deelde Schelfaut mij mede dat de heer Minkema en zijn personeel, in Renesse de heer Fasse ? via de telefoonlijn van de P.Z.E.M. contact hadden met geallieerde officieren in Tholen.

Op een goede dag kregen wij bericht dat Woensdagavond 6 December een boot voor de kust zou komen op een afgesproken plaats en dat de mannen, die over moesten daar dan klaar moesten staan en lichtseinen geven. Dit bericht kregen wij Dinsdagmorgen. Wilde het slagen, dan moesten de mensen Dinsdagavond vóór spertijd die om 6 uur inging zich begeven naar een huis bij Zierikzee van waar uit zij zouden starten de volgende nacht aangezien men overdag zich niet kon verplaatsen.

Toen volgde een periode van snel en accuraat werken. Uit Haamstede zouden drie personen (2 Jonkers en Quant) uit Renesse twee (Oudkerk en Lazonder) uit Serooskerke twee (Padmos en Boot) en uit Ellemeet één (De Glopper) vertrekken. De mensen moesten allen gewaarschuwd worden, vervoermiddelen hebben en weggebracht worden (velen wisten in het donker de weg niet) en dat alles vóór spertijd. Eerst ging ik naar Van Dongen in Scharendijke om te vragen of hij, die al eerder met een missie voor mij naar Brouw geweest was, bereid was als gids en concentratie-adres op te treden. Dat was in orde.

Toen werden de verschillende mensen gewaarschuwd. De tocht zou op de fiets ondernomen worden en men zou starten zodra het donker genoeg was. Het was een stormachtige en regenachtige winterdag, gunstig voor de tocht over land, het was nieuwe maan en heel donker, ongunstig voor die over zee, die echter pas de volgende dag plaats zou hebben.

Voor laatste instructies zouden enkelen eerst bij mij komen. Om 5 uur begon de spanning. Zouden ze komen zonder ontdekt te worden? En ja na enig wachten kwamen de broers Jonker, eerst de oudste, daarna de jongste. Ik zag ze voor het eerst, vond het flinke lui en benijdde ze een beetje. Het zou ook voor het laatst zijn dat ik ze zag. Quant kwam niet, die had het achteraf veiliger gevonden om te blijven waar hij was. Heel laat kwam Oudkerk nog, die zou Lazonder ophalen bij Kees Boot aan de Noordkant en met hem ook naar Scharendijke gaan.

De rest van het avontuur heb ik gehoord van De Glopper, de enige mij bekende, die het overleefde en van Van Dongen. Allen kwamen na enige tijd bij Van Dongen aan, behalve Boot en Padmos. Men besloot niet te wachten en op weg te gaan. Over geïnundeerde wegen, door kou en duisternis, met veel kans op ontmoeting van moffenpatrouilles! Maar het doel werd veilig bereikt.

Terugkerend ontmoette Van Dongen Boot en Padmos, de laatste druipnat, die was in een sloot gevallen. Hij nam ze eerst mee naar huis, zorgde voor droge kleren en wees hen voor de tweede maal de weg. Ook zij bereikten veilig het doel, een leeg huis staande op de plaats waar de Boerenweg de Zeedijk bereikt. De volgende morgen kwamen ook alle andere deelnemers aan de tocht uit Zierikzee en Brouw veilig ter plaatse. Gewacht werd tot de avond. "




INTERMEZZO




Dit is de mosselkotter BRU 34.
Hij is na de oorlog flink verlengd, zoals te zien is.

Aantekening door GS: Dit soort schepen kon met de neus, die ondiep steekt, tegen een plaat liggen. Ze zijn erop gebouwd te varen op de Wadden en de Zeeuwse wateren met hun geulen en platen.
Sommigen spreken in dit verband over een 'bietenboot'. Het kan zijn dat er wel eens bieten mee vervoerd zijn, maar het is en blijft een mosselkotter, een respectabel soort vissersboot.
Zo'n kotter was zeer geschikt om de 17 mensen op te pikken bij Zierikzee.

Bij het verhaal van dr.Westhof zat een notitie van J.Schot uit 1977. Hij schrijft bij:"dat de boot er geweest was doch niets had gezien!"
Dit klopt: De mosselkotter BRU 34 van de Gebr.Van Kooten uit Bruinisse was onbekend in de wateren beneden Zierikzee, zeker zonder verlichting. Het schip is dan ook bijna verebt op de z.g. 'Nonnenplaat', een plaat welke vlak voor Kistersinlaag ligt, waar de jongens aan boord zouden komen. Door onbekendheid is hij toen teruggedraaid! Dit vertelde mij later de schipper van de BRU 34, Adrie van Kooten. Verstandiger had hij gedaan een ter plaatse bekende visser mee te nemen, bv. uit Zierikzee, alhoewel bijna allen geëvacueerd waren.
PS1 De familie Van Kooten was destijds met schip geëvacueerd naar N.Beveland (Kortgene) .
PS2 Een 2de poging is nog ondernomen met aan boord Cornelis Schot uit Tholen, maar deze heeft ook de jongens niet aan boord kunnen nemen, het schijnt echter wel dat er Engelsen aan de wal gezet zijn!

Aldus J.Schot in 1977.


Ik sprak met Willem van Kooten, de oudste zoon van Adrie van Kooten van de mosselkotter BRU 34. Hij vertelde dat zijn vader sober was in zijn mededelingen over de oorlog. Hij antwoordde vaak op vragen: "Achter je ben je geweest." Zijn vader was heel goed bekend met alle geulen, platen en prielen, stromingen en diepten op de Oosterschelde. Hij zat altijd met z'n neus in vaar- en stroomkaarten. Hij hield in een schrift alle getijden, weerberichten, windrichtingen, diepten bij: kortom alles wat maar van belang is voor een goeie navigatie. Willem gebruikte voor het vakmanschap van z'n vader het fraaie woord: 'gekneist'. Zijn vader was zo gekneist op het water dat bij mist alle anderen achter hem aan voeren in blind vertrouwen op zijn kennis van de geulen. Dus de opmerking van J. Schot uit 1977 wordt hiermee weersproken.

Willem schreef me op m'n vraag of de broer van vader Adrie ook aan boord was: "Het is correct dat mijn vader z'n broer Theun ook deelgenoot was van de operatie. De boot lag op de Oosterschelde kreeg ik ook bevestigd van mijn moeder en het laatste deel van de overtocht hebben ze met een roeiboot gemaakt. Vlak onder wal hoorden ze 'vreemde' geluiden waarop de broers besloten de laatste meters naar de wal niet te overbruggen. Ze zijn toen teruggekeerd naar de BRU 34 / Beveland."

Je kon in verband met motorlawaai niet te dicht met de boot aan de wal komen. Ze hadden de roeidollen van de roeiboot ingewikkeld in lappen om zo geruisloos te kust de kunnen naderen, vertelde Willem. Hij gaat nog zoek naar een foto van de BRU 34. Ik wacht in spanning af.

Er zijn twee pogingen gedaan om de verzetsmensen op te pikken. Het kan zijn dat de bovenstaande mededeling van Willem slaat op de eerste poging. Er is een getuigenis dat de tweede keer wel Engelsen aan land zijn gezet. Er is zelfs een piket geslagen in de dijk, die na de oorlog is teruggevonden. .


We vervolgen het verslag van dr. Westhof.

"Als de tocht gelukte, zouden de mensen aan boord een kanon afschieten. Hoe hebben wij in spanning geluisterd naar een geluid dat boven de regenvlagen uit ons zou berichten dat het doel bereikt was. Telkens speelde onze verbeelding ons parten. Dat was Woensdagnacht. Donderdagmorgen hoorden we door de telefoon, dat de boot er geweest was doch niets had gezien! Van onze mensen, dat ze geen boot hadden kunnen opmerken, doch uren op den dijk hadden gestaan zonder door moffen te zijn lastig gevallen. Donderdagnacht zou de poging echter herhaald worden. Wij in Renesse waren heel wat nerveuzer nog dan de vorige nacht. Men kan zich voorstellen, hoe men zich in het huis aan de dijk moet hebben gevoeld.

Een nacht als de vorige, wind en regen, duisternis en kou. Geen schot! Vrijdagmorgen ontmoet ik Oudheusden op straat. "Alles is goed", zegt hij. "Hoera"! Bij thuiskomst vind ik Van Dongen op mij wachten: "Alles mislukt".

De Glopper is alleen ontsnapt, dwars door een moordend vuur van Duitse posten, dwars door inundaties en versperringen het eiland overgestoken van Zierikzee naar Scharendijke en in de vroege morgen bij Van Dongen aangekomen met bebloede, blote voeten, druipnat, zonder jas en halfziek van akeligheid en ellende met het droevige relaas. Weer hadden ze meer dan een uur lang op de dijk gestaan en seinen gegeven. Aanvankelijk werden de seinen vanuit zee beantwoord, doch later niet meer, een boot werd gehoord doch niet gezien.

Toen men opbrak om maar weer naar huis te gaan werden uit teleurstelling enkele essentiële voorzorgsmaatregelen over het hoofd gezien. Het gevolg was geweest dat Wisse en echtgenote ongehinderd wegfietsten, de volgende groep (Boot en Padmos) de moffen in de armen reed, de anderen niet gewaarschuwd konden worden, in paniek raakten en allen gepakt werden. Alleen Marius had tegenwoordigheid van geest genoeg om het op een lopen te zetten en de moffen te ontgaan, iets wat gezien de duisternis en de geringe sterkte der moffenpatrouille, gevoegd bij het feit dat onze mensen ook wapens hadden niet zo moeilijk lijkt te zijn geweest. Ook de drie Tommies wisten te ontkomen.

En toen die Zondag. Toen vergrepen de barbaren zich voor de zoveelste maal aan de levens van onze beste mensen. En hoe! Op de meest weerzinwekkende en afschuwelijke manier werden deze krijgsgevangen soldaten (ze hadden identificaties bij zich waaruit bleek dat ze tot de N.B.S. behoorden, zij vervulden niet anders dan hun plicht tegenover hun vaderland) terecht gesteld. Het moet onmogelijk geacht worden, dat de moffen iets te weten zijn gekomen van spionage-bedoelingen of contact met de Tommies (zie hun motivering op de door hen aangeplakte bekendmaking).

Maandag werd de zwaargewonde Lazonder die inmiddels aan zijn wonden overleden was (?) ook nog opgehangen. Is er nog een qualificatie mogelijk voor hen, die dit vonnis ten uitvoer brachten?

Het bleek dat Lazonder (in ijlkoorts of onder martelingen) de namen had genoemd van C. Boot aan de Noordkant en M. de Glopper als betrokken bij de ontsnappingspoging. Boot werd gearresteerd. De Glopper was onvindbaar, doch toen er moeilijkheden rezen voor een duikadres en het bleek dat de Duitsers Boot eigenlijk ook niets bewijzen konden, achtten we het in onderling overleg raadzaam dat De Glopper ook meldde. Inderdaad werd hij nauwelijks ondervraagd en kon hij alles ontkennen zodat beiden werden losgelaten.

De mof achtte nu zijn kans schoon om zonder veel moeite zijn deportatieplannen ten uitvoer te brengen. Onder de indruk van het vreselijke gebeuren was het verzet tegen zijn slavenjacht onbetekenend. De hele valide mannelijke bevolking van Renesse werd 23 en December weggevoerd. Enkele dagen later bleken velen in zoverre weer op hun verhaal gekomen, dat zij in de Achterhoek van een unieke gelegenheid gebruik maakten om toch nog onder te duiken en zich aan de slavernij te onttrekken.

Een sombere tijd volgde voor de op Schouwen achterblijvenden. Veel moffen. Tegenoffensief in de Ardennen. Weinig nieuws. De krant was ten gevolge van de deportaties gesneuveld. Het toestel van J. de Vrieze op de Lage Zoom bezweek doordat het anodeblok stroomloos kwam. Bakker van den Hoek had nog een éénlampstoestel. Dat begaf zich ook na enige tijd. Toen ben ik bezig geweest met een keten van natte leclanché-elementen voldoende spanning op te wekken en dit gepruts had in zoverre succes, dat we tenminste nooit geheel zonder berichten hebben gezeten. En de bevrijding naderde.

5 Mei capituleerde de Duitse bevelhebber in Nederland. Op Moermond werd meteen vergaderd. Er werd besloten op advies van onze regering, dat de illegaliteit, het gemeentebestuur voorlopig in handen zou krijgen om voor Renesse een commissie te vormen, die deze taak op zich zou nemen, Schelfaut zou met zijn mannen aan het werk gaan, zodra de moffen uit het dorp zouden zijn en wij begaven ons naar het gemeentehuis om het gezag op te nemen.

Overal werd gevlagd en Renesse was op Schouwen op die dag het enige bevrijde dorp, dankzij de afwezigheid van virulente moffen. Toch bleken we nog ietwat voorbarig te zijn geweest en werd er nog veel gepalaverd met minder virulente soortgenoten over onze maatregelen. Enkele dagen later echter landden de Engelsen bij Westerschouwen en konden wij in werkelijkheid onze illegale tijd als ten einde te zijn beschouwen. "




Jaap Vriesendorp, kasteelheer van Moermond
met zijn kleinzoon Huib M. Vriesendorp,
die op 27 november 1944 op Moermond werd geboren.
De bevalling werd gedaan door dr. Westhof.
Huibs toespraak staat in rechtermarge.
.