HET VERHAAL VAN DE TIEN GEHANGENEN








INLEIDING


In het weekblad 'Accent' verscheen 25 jaar na dato op 6 december 1969 een uitvoerig gedocumenteerd artikel over het drama van de tien gehangenen van Renesse. Toen ik de boeken en artikelen over deze gebeurtenis had bestudeerd, kreeg ik het Accentartikel onder ogen. Het verraste me omdat het zo compleet is. De schrijver is grondig te werk gegaan. Alle belangrijke betrokkenen die toen nog in leven waren heeft hij kort of lang geïnterviewd. 25 jaar is ook een geschikte tijd om de balans op te maken, denk ik. Het leed zal nimmer geleden zijn, maar er is wel enige afstand gekomen.

De schrijver voert bekende namen ten tonele die we ook in andere artikelen en boeken tegenkomen: dominee Voorneveld, Christiaan Wisse en gemeentesecretaris van Haamstede Van der Velde. Het bijzondere van dit artikel is, dat hun getuigenissen minder formeel zijn dan in 1945. Ik zou zeggen: wat losser. Er staat een fotootje in van ds. Voorneveld met pijp. Dat past precies bij zijn verhaal. Wisse citeert niet uit z'n proces-verbaal, maar vertelt eruit. Dat is wel wat anders. Het komt misschien zo ook wel dichterbij.

We komen in dit artikel ook nieuwe namen tegen, bijvoorbeeld die van de metselaar Stoffel van den Hoek uit Renesse, die het bevolkingsregister in zijn tuin begroef. En Anna Verhoeff, de jongste zus van Jan komt aan het woord. En er wordt geciteerd uit het dagboek van mej Houtman uit Renesse. En het Nederlandse koffiemeisje dat bij de ter dood veroordeling aanwezig was en door een kier kon meekijken.

Het was allemaal nieuw voor me. Dat maakt dit artikel van Lars Andersson voor mij zo waardevol. Het heeft een heel eigen gezicht.


"HET VERHAAL VAN DE TIEN GEHANGENEN


Inleiding

Precies 25 jaar geleden, op zondag 10 december 1944, werden in het Zeeuwse Renesse negen mannen van het eiland Schouwen-Duiveland opgehangen. Een tiende die zwaargewond was geraakt, moest liggend op een brancard toezien hoe zijn kameraden-in-het-verzet de strop werd omgedaan. Kort daarna overleed hij aan zijn verwondingen. Hetgeen de beulen er niet van weerhield ook hem op te hangen en zijn ontzielde lichaam tweemaal 24 uur in de open lucht te laten bungelen.

De wrede ophanging moest op last van de Duitsers worden gadegeslagen door twintig mensen, familieleden van de slachtoffers en willekeurig uitgekozen anderen. Zij zouden hetzelfde lot ondergaan als nieuwe sabotagedaden aan het licht kwamen…

ACCENT-redacteur Lars Andersson reconstrueerde aan de hand van processen-verbaal, vroegere beschrijvingen en verklaringen van familieleden en getuigen wat aan de gruwelijke gebeurtenis op de 10de december 1944 voorafging, waarom het zover kon komen en welke beestachtigheden de Duitse bezetters tegenover de tien mannen van Schouwen-Duiveland hebben begaan.


Verzet op Schouwen-Duiveland tot december 1944

Verzet is er op Schouwen-Duiveland gedurende de gehele oorlog geweest. In het begin vooral door naamloze enkelingen, later, toen het eiland door toedoen van de Duitsers voor het grootste gedeelte onder water kwam te staan, ook door groepen verenigd in de LO en OD. Dit verhaal begint in de eerste dagen van december 1944. De wilde roes van de naderende bevrijding is dan al weer enige tijd voorbij en een nutteloze opstand onder de verre van Duitsgezinde Armeense soldaten in Duitse dienst is niet in de laatste plaats door het kalme optreden van Joost Jonker van de OD in Haamstede, op 't nippertje voorkomen. Drie piloten van de Engelse luchtlandingstroepen die in september met hun toestel naar beneden zijn gekomen, hebben ergens in het geïnundeerde gebied een veilige schuilplaats gekregen. En wat misschien het belangrijkste van alles is, de OD heeft dankzij twee met de opstandige Armenen samenwerkende Hollandse chauffeurs, kaarten in bezit gekregen waarop alle geschutsopstellingen en bunkers van de bezetter nauwkeurig staan aangegeven!


Oproep mannen tussen 17 en 40 jaar

Maar toen kwamen de eerste dagen van december. De Duitsers maakten bekend dat alle mannen tussen de 17 en 40 jaar zich moesten melden. Omdat ze ook wel begrepen dat die zich uit eigener beweging niet zouden komen aangeven, werd aan de gemeenteambtenaren van de nog bevolkte dorpen opdracht gegeven lijsten samen te stellen met de namen en verblijfplaatsen van deze mannen.

De bedoeling was maar al te duidelijk: ze zouden worden afgevoerd naar Duitsland. Op zondag 3 december zond de OD op Schouwen-Duiveland via de nog altijd in gebruik zijnde telefoonlijn van de Provinciale Zeeuwse Electricieitsmaatschappij (PZEM) een noodkreet naar de geallieerden op het reeds bevrijde St.Philipsland:

"We verzoeken nu zeer dringend om met zeer veel spoed in te grijpen, opdat dit voorkomen kan worden. Wij hebben reeds zes weken laten blijken dat ons geen gevaren teveel zijn om de geallieerde zaak te dienen. We willen dit blijven doen, doch laat de moffen nu geen gelegenheid meer om ons en de overige bevolking weg te voeren."


Actie Stoffel van den Hoek

Het antwoord kwam niet onmiddellijk. Op diezelfde zondag, 3 december dus, werd ook metselaar Stoffel van den Hoek uit Renesse ingelicht over de plannen van de Duitsers om de bevolkingsregisters te lichten. Stoffel had al meer werk in het verzet gedaan en goed. Ook nu liet hij het er niet bij zitten. Zowel gemeentesecretaris Cornelis Lazonder als ook de nog jonge ambtenaar ter secretarie Willem Maarten Boot kregen die morgen bezoek van de metselaar. Beiden wensten in geen geval mee te werken aan het opstellen van lijsten voor de bezetter, maar ze zaten met het probleem de bevolkingsregisters veilig te stellen. Want ze konden wel weigeren mee te helpen, dat betekende nog niet dat de Duitsers de namen niet te pakken zouden krijgen. Ze zouden immers zelf naar het gemeentehuis komen en de kluis openen. En daarmee waren de mannen die zich moesten melden nog niets wijzer. Stoffel van den Hoek kwam de oplossing voor het probleem brengen. Hij zou de kluis, waarin behalve de namen van de mannen uit Renesse, ook die van Noordwelle, Serooskerke, Ellemeet en Scharendijke zaten, leeghalen…

De sleutels kreeg hij van Boot, die nog dezelfde dag onderdook, evenals de doodsbange Lazonder die zich in deze voor hem zo gevaarlijke toestand echter dapper gedroeg. De klus kon opgeknapt worden!

Foto van Willem Maarten Boot die meehielp het bevolkingsregister te verdonkeremanen.
Meer over hem op de familiesite van de Booten.




"Adriaan Padmos, een jonge man die ook in de ondergrondse zat, zou me helpen. "s Avonds zijn we met een handkar naar de secretarie gereden. In de kluis brandde een kaarsje. Padmos maakt van de ordners stapeltjes, ik droeg ze naar buiten en legde ze in de wagen. Toen we klaar waren, hebben we die in een werkplaats aan de overkant gezet."

De metselaar vertelt het alsof hij een kruiwagen met specie heeft weggereden. Terwijl hij toch…

"Toen ik op een gegeven moment weer met een stapeltje naar buiten kwam, naderde er iemand. Ik dacht: even luisteren. Je kon horen dat hij niet op spijkerschoenen liep. Een Duitse militair kon het dus niet zijn. Maar ja, je kon de Nederlanders ook niet vertrouwen. De man kwam naar m'n wagen toe. Toen hij vlak bij me was, zei ik alleen maar: "Hé". Laat hij nou verstaan wie ik was. "Van den Hoek, wat doe je nou?", vroeg hij. "Doorlopen als je leven je lief is", antwoordde ik er bot bovenop. Ik had een eindje waterleidingbuis bij me… Hij bukte, weg. Die komt niet meer terug, dacht ik. En ik weer naar binnen. We hebben alles uit de kluis gehaald. Alleen de kist met kleren die meneer Lazonder daar had neergezet om te voorkomen dat ze gestolen zouden worden, bleef achter.

Toen we thuis waren heb ik tegen Padmos gezegd dat ik die kist eigenlijk ook nog wel weg wilde hebben. We zijn weer naar het gemeentehuis gegaan, maar toen we vlakbij waren, zagen we dat er mensen naar binnen gingen. Padmos is op wacht gaan staan, ik ging naar binnen. De gemeentebode die ook bij die mensen was, dacht dat meneer Lazonder er was. Toen hoorde ik ook Duitse stemmen. Dat was voor mij het sein om te vertrekken."


De volgende ochtend groef Stoffel van den Hoek in zijn achtertuin, op nauwelijks tweehonderd meter van de plaats waar hij de kluis had leeggehaald, een diepe kuil. De bevolkingsregisters verdwenen voor de gehele oorlog onder de grond. Eén ding echter hadden ze vergeten: de kluisdeur was niet op slot gedaan.




Foto van Adriaan Martijn Padmos, die meehielp
de bevolkingsregisters uit de handen van de Duitsers te houden.




Plannen oversteek

Toen de Duitsers zondagavond het gemeentehuis betraden was ook meteen duidelijk wat zich had afgespeeld. Met brallende stem eisten de Duitsers dat de daders van deze brutale overval opgespoord zouden worden. Maandagmiddag kwam de Ortkommandant persoonlijk naar de kluis kijken. De deur was toen hermetisch afgesloten… Stoffel van den Hoek had nooit van half werk gehouden, ook toen niet!

Voor Boot en Lazonder, voor Padmos en tal van anderen buiten Renesse werd de grond te heet onder de voeten. De Duitsers gingen met nog grotere verbetenheid op zoek naar die verduvelde Hollanders die zich aan de arbeid in Duitse dienst wilden onttrekken.

Het bericht van de Engelsen dat zij op woensdag 6 december een aantal mannen van het eiland wilden halen teneinde voorbereidingen te kunnen treffen voor de bevrijding van Schouwen-Duiveland, was voor de verzetsmensen dan ook in meerdere opzichten een opluchting. En bovendien konden de kaarten met de ligging van de Duitse stellingen nu dan eindelijk in geallieerde handen worden gespeeld.

Woensdagavond tussen 7 en 8 uur zou de actie zich voltrekken. Een landingsboot zou de mannen op een plek ergens aan de dijk tussen Zierikzee en Haamstede oppikken en hen naar het bevrijde Noord-Beveland overbrengen.

Uit elke gemeente gingen er een paar mee. Daar was in de eerste plaats Menke Koos van der Beek, 26 jaar, agent van politie in Zierikzee en op deze spannende avond leider van de groep. Daar waren ook de gebroeders Joost Pieter en Leendert Marie Jonker, respectievelijk 42 en 29 jaar, beiden metselaar te Haamstede; Johannis Oudkerk, 44 jaar, timmerman in Renesse; Jan Andreas Verhoeff, 33 jaar, schilder in Brouwershaven; Marcus Pieter Machiel van der Klooster, 32 jaar, landbouwer in diezelfde gemeente; Iman Marinus van der Bijl, 30 jaar, landbouwer te Zonnemaire en de al eerder genoemde, bij de overval op de kluis van Renesse betrokken Willem Maarten Boot, Cornelis Lazonder en Adriaan Padmos. En verder de politieman Christiaan Wisse met zijn vrouw. Ook de drie naar beneden gehaalde piloten, de Armeense soldaat Jork en de student M.J. de Glopper gingen mee.

In totaal zestien mannen en een vrouw. Allemaal hadden ze aan het verzet op Schouwen-Duiveland meegedaan, de Duitsers geraakt waar ze te raken waren. En nu zouden zij dan opgehaald worden om mee te helpen bij de voorbereiding van de invasie op het eiland dat door de moffen in deze laatste maanden van het Derde Rijk meer dan ooit werd geterroriseerd.

Achteraf is er door verschillende mensen, ook uit het voormalig verzet, wel gezegd: "Hadden ze het geduld maar kunnen opbrengen en nog enige maanden gewacht. Dan zou de oorlog toch over zijn geweest".

Maar op die koude decemberavond bezielde de zeventien slechts één verlangen: zo gauw mogelijk weg van het eiland en zo gauw mogelijk terug met de geallieerden. Het eiland moest bevrijd worden van het juk van Hitlers bende.

Om zes uur 's avonds verzamelden zij zich in een verlaten huis even buiten Zierikzee. Vandaar ging het onder leiding van Van der Beek naar het punt waar de boot volgens afspraak aan land zou komen. Zes mannen waren gewapend. Van der Beek had ze verdeeld over de drie groepjes waarin de zeventien waren gesplitst. Enkele mannen uit Zierikzee, die de tocht niet zouden meemaken, bleven achter om in geval van onraad te kunnen waarschuwen.


Eerste poging

Om tien voor zeven waren ze bij het afgesproken punt. Het waaide en kort daarna begon het ook te regenen. Met de Engelsen was afgesproken dat om de vijf minuten met een afgeschermde lamp geseind zou worden. Het moest voorzichtig gebeuren, want ter linker zijde had men rekening te houden met de kop van de haven van Zierikzee vanwaar Duitse wachtposten het licht zouden kunnen opmerken en ter rechter zijde met de vuurtoren 'Floris' in Renesse, die ook bemand was met schildwachten.

Van der Beek belastte zich met het seinen: om de vijf minuten rood en wit licht. Het weer verslechterde met de minuut. De seinen van de landingsboot bleven uit. Het werd half acht, acht uur en veel later. De zeventien die op deze avond met uitzondering van hun leider plat tegen de dijk lagen, waren nat geworden, koud ook, maar vooral moedeloos.

Om kwart over negen besloot Van der Beek na samenspraak met zijn collega Wisse de aftocht te blazen. De actie was mislukt. Door het slechte weer? Of waren de Engelsen helemaal niet geweest? Niemand had immers seinen vanuit zee gezien.

Die vragen hielden de zeventien bezig toen zij langs dezelfde weg als waarlangs zij gekomen waren, terug liepen. Het was al ver in spertijd toen Zierikzee in zicht kwam en nog veel later toen iedereen op zijn onderduikadres was ondergebracht.

De volgende dag wilde men het antwoord op de vraag, waarom de Engelsen niet waren gekomen. Eén van de piloten ging zelfs mee om via de PZEM-telefoonlijn om opheldering te vragen. En te bewerkstelligen dat men alsnog zou komen.

"De bemanning van de boot heeft geen seinen waargenomen", verluidde het aan de andere kant van de lijn. Maar nog diezelfde avond, donderdag 7 december, zou de boot opnieuw uitvaren. Tussen acht en negen uur zouden de zeventien worden opgehaald. Daar konden ze verzekerd van zijn.

Het plan van de oversteek naar Noord-Beveland was tot dan uiterst geheim gehouden. Niemand was, buiten de zeventien en een aantal helpers, op de hoogte wat er zou gebeuren. Juist daarom was het zo vreemd dat zelfs kinderen op die donderdag al wisten te vertellen dat een poging van enkele verzetsmensen om naar bevrijd gebied te gaan, was mislukt. Maar hoe ook, ondanks een grote vrees bij verschillende familieleden, het plan moest worden doorgezet. De geallieerden hadden beloofd deze avond te zullen komen en daar hielden de mannen het op.


Verslag Christiaan Wisse van de tweede poging met fatale afloop

Christiaan Wisse, de politieman, die Van der Beek hielp bij het leiden van de actie, vertelt het relaas van de gebeurtenissen die op die avond plaats vonden.

"We waren op dezelfde wijze naar de plaats aan de dijk gegaan. Degenen die niet onmiddellijk bij het seinen e.d. betrokken waren, hadden we ondergebracht in een dijkwachterswoning, onderaan de dijk. Van der Beek, Jork de Armeen, een Engelsman en ik gingen de dijk op. Ik heb me daar zelf achter een hooimijt opgesteld of er onraad zou komen. Het was vijf over half negen toen ik vanuit zee lichten zag. Ik ben naar beneden gegaan naar Van der Beek om het hem te vertellen, maar hij had het ook al gezien. "Ze zitten precies in de straal van onze lamp Chris, ze komen", zei hij.

Toen ik net terug was achter de hooimijt, naderde er uit de richting van Zierikzee over de dijk een auto. "Zie uit te vissen wat voor een wagen het is", zei Menke tegen mij toen ik weer naar beneden was gerend. Hij zou ondertussen het seinen staken. Ik zag dat in de auto de eilandcommandant Schutz zat. Maar hij is ons gewoon gepasseerd. Er was niets aan de hand. In de tijd dat we gestopt zijn met seinen moet de boot van de Engelsen zijn afgedreven tengevolge van de stroming.

Toen Menke weer begon te seinen, kwam er geen 'antwoord' meer. Ze moeten net buiten het vak zijn geweest waarin wij na dat oponthoud weer zijn gaan schijnen. Toen het kwart over negen was geworden, zei ik tegen Van der Beek dat het geen zin meer had om door te gaan. Ze hadden allang aan land moeten zijn."


Ook de leider was daarvan overtuigd. Hij besloot terug te gaan naar de dijkwachterswoning, waar de overigen in ondraaglijke spanning zaten te wachten op het moment dat zij gehaald zouden worden. Maar van der Beek kwam niet om ze te halen voor de oversteek; integendeel, hij stond voor een bijna onuitvoerbare taak: zijn mensen te vertellen dat de overtocht opnieuw geen doorgang zou vinden.

Terwijl de politieman de gedesillusioneerde groep toesprak, moet op de plek waar hij nog geen vijf minuten geleden daarvoor bezig is geweest met seinen, een Engelse patrouille hebben gelopen…

Wisse: "Na de oorlog heb ik een Nederlandse officier gesproken die op de landingsboot had gezeten. Hij vertelde me dat op een gegeven ogenblik geen seinen meer van ons waren doorgekomen. Waarschijnlijk was de boot toen afgedreven. Een eind verderop zijn de Engelsen toch geland. Een kleine patrouille is beneden langs de dijk gelopen in de richting waar wij zaten. Die Nederlandse officier heeft op de plek waar de patrouille is omgekeerd en naar de boot is teruggegaan een piket in de grond geslagen. Na de oorlog ben ik er samen met hem naar gaan zoeken. De piket zat nog in de grond. Op de plaats waar wij hebben zitten seinen…"

De patrouille was al weer vertrokken toen de zeventien in groepjes de dijkwachterswoning verlieten. Enkelen zouden uit veiligheidsoverwegingen tot de volgende ochtend wachten om terug te gaan. Maar het grootste gedeelte aanvaardde verslagen de terugtocht.





Christiaan Wisse en zijn vrouw in rustiger tijden



Wisse en echtgenote ontspringen de dans

Wisse en zijn vrouw gingen voorop, een fiets aan de hand. Afgesproken was dat zij in geval van onraad met een zaklantaarn signalen zouden geven aan de achter hen komende groep. Het was rond de klok van tien. Het echtpaar Wisse ging van de dijk af en volgde de weg die dwars door het inundatiegebied naar Zierikzee leidde.

Ze zullen vier- of vijfhonderd meter hebben gelopen toen plotseling zeven, acht Duitsers uit de duisternis opdoken. Ze waren gealarmeerd door een lichtkogel van een Duitse schildwacht, die ontdekt had dat de Engelse patrouille weer inscheepte!

"Wo kommen Sie her?", werd Wisse en zijn echtgenote gevraagd.
"Van Haamstede", loog de politieman. Hij slaagde erin de aandacht van de Duitsers te vestigen op de lekke band van zijn fiets. Door met zijn zaklantaarn zogenaamd bij te schijnen, kon hij de anderen het afgesproken sein geven: onraad.

"Het oponthoud zal misschien 6 of 7 minuten geduurd hebben. In die tijd had het tweede groepje met Van der Beek al lang bij ons moeten zijn. Uit het feit dat ze wegbleven, concludeerde ik dat ze het licht hadden gezien. Ze hadden begrepen dat er iets mis was."

De Duitsers wilden ook wel weten wie de vrouw was die Wisse bij zich had. "Zij is mijn vrouw. Het moet u bekend zijn dat ik als politieman haar in spertijd mee mag nemen."

De Duitsers trapten erin en lieten de twee verschrikte mensen ongemoeid. Zij sprongen op hun fiets en verdwenen, in de richting waar de mannen waarschijnlijk in dekking waren gegaan. Het echtpaar Wisse verwijderde zich in tegenovergestelde richting, eerst lopend, daarna fietsend, bijna racend. Richting Zierikzee. Ze waren de stad al dicht genaderd toen de stilte werd verstoord door het lawaai van pistoolschoten. De Duitsers hadden de anderen ontdekt en nu was het gevecht in volle gang.

Wat zich daar aan de dijk heeft afgespeeld, zal wel altijd onbekend blijven, maar Chris Wisse, die na de oorlog over het gebeurde een proces-verbaal opstelde, heeft er deze theorie over opgebouwd:


Arrestatie van de groep

"Toen ze ons licht hadden gezien, zijn ze tegen de dijk gaan liggen. Waarschijnlijk heeft iemand in de groep bewogen, waardoor de Duitsers hen ontdekten. Daarna zijn de moffen onmiddellijk gaan schieten."

De oud-politieman zegt gehoord te hebben dat bij het vuurgevecht twee Duitsers zijn gesneuveld, maar zeker weten doet hij dat niet. Wel staat vast dat Cornelis Lazonder zwaar gewond werd. Hij zou de man geweest kunnen zijn die zich heeft bewogen en gelijk werd neergeschoten.

De drie piloten als ook de student De Glopper wisten te ontkomen, wadend door het ijskoude water van het geïnundeerde gebied. Telkens als de Duitsers lichtkogels afstaken om te zien of ergens nog mannen te ontdekken waren, gingen ze kopje onder…

De elf anderen slaagden er niet in aan de vijand te ontkomen. Nadat de Duitsers omstreeks twaalf uur handgranaten in het dijkhuis hadden gegooid waarin de mannen zich hadden teruggetrokken, werden zij gevangen genomen en overgebracht naar het Wehrmachtsheim in Zierikzee. In het proces-verbaal is te lezen dat de Duitsers ook deze nacht de gummiknuppel niet spaarden. Met name Van der Beek, die onmiddellijk als leider werd beschouwd, en Boot ondergingen beestachtige wreedheden.

De Grenzschützen die de groep ontdekt hadden, herinnerden zich nu ook de man en de vrouw die zij hadden ontmoet voordat zij de overigen vonden. Die twee moesten er ook bij horen. Er werd geschreeuwd, geslagen, maar de naam Wisse kwam niet over hun lippen! Maar de moffen wisten dat hij politieman was. Niet alleen hadden ze hem gezien, maar ook hadden ze op Lazonder een tas gevonden, waarin allerlei spulletjes van Wisse zaten. Ook zijn sabelkwast. Hadden ze de franje omgeslagen, dat zou de naam van de politieman zichtbaar zijn geworden. Maar gelukkig kwam bij hen dat idee niet op. En ook gelukkig was het dat de - foute- commandant van het korps van Wisse, de Duitsers op deze mogelijkheid niet attent maakte toen de volgende dag het hele korps van Zierikzee moest aantreden om de bewuste man eruit te pikken.


Vervoer mannen naar Middelharnis

Maar Wisse was er natuurlijk niet. Hij was ondergedoken op een boerderij in het geïnundeerde gebied. Vrienden brachten hem en zijn vrouw als het donker geworden was, eten.

Met de aanhouding van Anna Hage, een ambtenares van de distributiedienst, dachten de Duitsers de vrouw te pakken te hebben die de vorige avond op de dijk bij Wisse was geweest.

Het was vrijdag geworden, 8 december 1944. Voor het Wehrmachtsheim in Zierikzee reed een huifkar voor, bespannen met twee witte paarden. De mannen en Anna Hage moesten instappen. Jork de Armeen ontbrak nog, maar nadat bij de door de Duitsers gevorderde burgemeesterswoning was stilgehouden, verscheen ook hij. Gepraat mocht er niet worden. Sommigen moesten op de bodem van de wagen liggen. De barre tocht eindigde pas na uren voor korte tijd in Brouwershaven, de woonplaats van twee van de mannen.

Mej. Anna Verhoeff zag destijds de boerenkar waarop haar broer zijn laatste erbarmelijke contact met de vrijheid beleefde, voorbij rijden.

"Ik ben ze nog achterna gegaan. Hij heeft nog naar me gezwaaid. Ik geloof dat hij slechts gekleed in zijn overhemd op die wagen zat. Hij had in ieder geval bijna niets aan."

Wat er met haar broer en diens makkers zou gaan gebeuren, wist mej. Verhoeff toen ook nog niet.

"We hadden gehoord dat de poging om over te steken mislukt was en begrepen dat ze er niet zo maar van af zouden komen. Maar dat dit zou gaan gebeuren, daar hadden we niet aan durven denken."

De huifkar stopte bij de haven. De enkele getuigen die hebben gezien hoe de mannen en Anna Hage uit de huifkar in de boot werden overgebracht, spreken van vreselijke mishandelingen.




Dit is de veerboot 'Zuidvliet'.
Hiermee zijn de 9 mannen + 1 vrouw verscheept
van Brouwershaven naar Ouddorp.
Hans Sakkers schreef me:
"Uit Duitse documenten heb ik gevonden
dat dit de veerboot Zuidvliet is.
Deze ligt gerestaureerd in de museumhaven."
.


Voor Jork de Armeen moet dit het overtuigende bewijs zijn geweest dat er op de verdere tocht niet veel beters zou zijn te verwachten. Want de boot had amper Brouwershaven verlaten en koers gezet naar Middelharnis toen hij erin slaagde overboord te springen. De Duitsers openden onmiddellijke het vuur, maar of ze Jork geraakt hebben, was tenminste twijfelachtig, want niet zo heel lang daarna verscheen op de dijk een silhouet. Het moet Jork geweest zijn, die zwemmend, lange tijd onder water, de wal had weten te bereiken.

Later vond men in de buurt waar de Armeen voor het laatst was waargenomen, het lichaam van een in soldatenuniform gestoken man. Waarschijnlijk Jork. "Hij had moedervlekken en de man die gevonden is, ook", zegt Christiaan Wisse over deze mogelijkheid.

De ontsnapping van Jork had voor de anderen tot gevolg dat zij voorover op het dek moesten gaan liggen. Naast iedere man stelde zich een Duitser op die onmiddellijk met de kolf van zijn geweer begon te slaan als iemand het in z'n hoofd haalde zich ook maar een ogenblik te verroeren.

Toen de boot eindelijk de haven van Ouddorp was binnengelopen, kwam tenminste aan deze marteling een einde. Maar nieuwe beestachtigheden stonden de mannen van Schouwen-Duiveland te wachten. Eenmaal in Middelharnis aangekomen, werden de verhoren voortgezet.


Voor het Standgericht

Het zogenaamde Standgericht "ontving" hen in het bureau van de grenspolitie. Leden van het gerecht waren onder anderen Oberstleutnant Von Alvensleben, Leutnant Klümpe ("de hanger van Schouwen") en de voor iedereen bekende Willy Lages, namen die borg stonden voor mishandelingen van het ergste soort.

Vrijdagavond begon het verhoor, zaterdagmorgen eindigde het. Een Nederlands meisje dat voor de Duitsers moest werken en dat opdracht had gekregen zaterdagmorgen om zes uur op het bureau teug te keren om koffie te zetten, was één van de zeer weinigen die iets van de berechting heeft gezien.

"Ik heb gezien dat de mannen één voor één bij de officieren werden gebracht, hetgeen gebeurde onder leiding van twee gewapende soldaten. Tijdens het verhoor moesten zij met hun gezicht naar de muur gekeerd staan. Zij mochten de officieren niet aankijken. Slechts wanneer zij moesten antwoorden, mochten zij hun hoofd even omdraaien en naar de Duitsers kijken", zo verklaarde de destijds 21-jarige vrouw.

Vanuit het vertrek waar zij verbleef, kon zij door een kier van de deur proberen zoveel mogelijk gade te slaan van hetgeen in de "rechtzaal" gebeurde. Maar ze was pas om zes uur 's morgens gekomen en bovendien liepen de Duitsers zo nu en dan naar binnen; dus zo heel veel was dat ook niet.

Maar de mannen moeten zich heldhaftig hebben gedragen. Ondanks de mishandelingen, ondanks de dreigementen en ondanks de verschrikkelijke honger - ze hadden sinds hun gevangenneming niet meer te eten gekregen! - lieten ze niets los. Maar dat redde hen niet.

In de Bekendmaking die Von Alvensleben in het eenmaal per week verschijnende blad "Eilanden-Nieuws" liet publiceren, stond vermeld, dat de mannen inclusief de zwaargewonde Lazonder die in Zierikzee was achtergebleven, "wegens begunstiging van den vijand, in samenwerking met een terroristengroep ter dood waren veroordeeld." Het vonnis zou op zondag 10 december in Renesse worden voltrokken. Door middel van de strop!

Anna Hage, de vrouw die met de hele zaak niets uitstaande had, werd vrijgelaten nadat ook de hardnekkigste Duitser ervan overtuigd was dat zij niet de vrouw was die in gezelschap van Wisse verkeerde toen deze op de dijk werd aangehouden en vervolgens doorgelaten.

De veroordeelde mannen spraken weinig toen zij op die zaterdagochtend en -middag via dezelfde weg als waarlangs zij waren gekomen, weer naar Brouwershaven werden vervoerd en daarna naar Haamstede. Ze hadden nog steeds niet te eten gehad. Verschillenden voelden zich ellendig, van de honger, maar ook van de mishandelingen die ze hadden ondergaan.

In Haamstede werden ze opgesloten in een donkere bunker op het terrein van het Slot Haamstede. De nacht ging voorbij. Zondag de 10de december bracht boven het eiland een strakke heldere lucht. Het was koud.


Bezoek ds. Voorneveld aan de mannen in de bunker

Op de preekstoel van de gereformeerde kerk in Haamstede hield dominee H.C.Voorneveld als elke zondag zijn preek. Maar deze keer zou hij die niet af kunnen maken.





Ds. Voorneveld vertelt 25 jaar na zijn bezoek aan de tien mannen.


"Ik had al gehoord dat een aantal verzetsmensen - wie precies wist ik niet - in Zierikzee gevangen hadden gezeten. Die zondagmorgen gingen er ook geruchten dat zij 's avonds laat of 's nachts naar Haamstede waren overgebracht. De kerkdienst begon 's morgens gewoon. Mijn vrouw was thuis gebleven, want de kinderen waren nog erg klein en er moest toch op ze gepast worden. Maar toen ik goed en wel aan de gang was, kwam mijn vrouw ineens de kerk inzetten. Ze liep regelrecht naar de preekstoel. Dat was al een vreemde gewaarwording natuurlijk, maar toen…

Ze fluisterde in m'n oor dat de mannen over een uur opgehangen zouden worden. Er was gevraagd of ik geestelijke bijstand wilde verlenen. Ik bedacht me geen ogenblik en ben de kerk uitgelopen. Bij de commandant - ja Klümpe, ik geloof wel dat hij zo heette - heb ik nog geprobeerd om voor die mensen iets te bereiken. Of het niet een andere straf kon worden. Maar nee hoor, het bekende Befehl ist Befehl werd aangedragen. Het moest doorgaan. De kogel in plaats van de strop? Ook niet. Toen ik een beetje bleef aanhouden, begon het hem zeker te vervelen, want hij zei: "Als u nou nog naar ze toewilt, moeten we nu maar opstappen." Hij bracht me zelf naar de bunker toe. Ik kreeg nog zoiets als een olielampje mee, want het was er pikkedonker. M'n "eigen" mannen herkenden me natuurlijk toen ik binnenkwam en de anderen hoorden het ook al gauw wie ik was.

Het was een hele geruststelling voor hen dat er nu eens een vertrouwd iemand was die was gekomen. Ze moest natuurlijk eerst hun opgekropt gemoed luchten. Dingen die ze kwijt wilden, horloges en andere waardevolle voorwerpen, gaven ze me. Of ik die aan de familieleden wilde geven. Ik kreeg ook verschillende boodschappen en brieven mee. Ze gedroegen zich over het algemeen heel erg moedig. We hebben een stukje gelezen en gebeden, en toen, dat was voor mij erg indrukwekkend, kwam uit hun eigen kring het verzoek: "Kunnen we nu nog niet met elkaar zingen?" Zelfs de wacht scheen te begrijpen dat hij zich op dit moment beter kon terugtrekken. En toen hebben we daar op hun eigen aanwijzing, met elkaar ons geloofsvertrouwen beleden in het machtige Lutherlied: "Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen." Toen we klaar waren, kreeg ik snel het seintje dat ik moest vertrekken."



Verslag van gemeentesecretaris Van der Velde

Ongeveer op het zelfde moment dat dominee Voorneveld zich naar de bunker spoedde, werd er bij de gemeentesecretaris van Haamstede, de heer L.C. van der Velde, aan de deur gebeld. Een Duitse militair stond op de stoep. Hij moest twintig mensen hebben, zei hij.

"Als je twintig mensen moet hebben, ga je maar naar het Arbeidsbureau", antwoordde ik hem. Want wist ik veel wat er aan de hand was. Ik dacht dat hij mensen nodig had om voor de Duitsers te werken. Dus ging hij weg. Even later stond hij weer voor de deur. Ik moest met hem mee naar een bunker die vlak bij de duinen stond. Daar zat Klümpe met nog enkele anderen. Hij eiste van mij dat ik de twintig mensen van wie hij de namen op een papiertje had staan, zou gaan waarschuwen. Om half twaalf moesten we op het gemeentehuis van Renesse zijn. Klümpe vertelde niet waarom het ging. Ik wist wel dat de mannen gevangen genomen waren en vermoedde ook wel dat ze ter dood gebracht zouden worden, maar dat het op deze wijze zou gebeuren en dat wij erbij moesten zijn, dat was ons niet bekend, althans mij niet. Ik heb tegen Klümpe gezegd dat ik in zo'n korte tijd al deze mensen niet kon bereiken. Daar nam hij genoegen mee; hij zou ze zelf laten waarschuwen. Met een paar anderen van Haamstede ben ik op de fiets naar Renesse gegaan. Op het gemeentehuis werden we direct omsingeld door Duitsers met machinepistolen of wat dan ook. Tussen een militaire geleide zijn we naar de ingang van het slot Moermond gebracht…"

Dominee Voorneveld had in Haamstede ondertussen de bunker verlaten. Het afscheid van de mannen was aangrijpend geweest: "Toen ik naar huis terugliep, kwamen ze er al aan. Ze waren in een huifkar gestopt. Eén van de mannen lichtte nog even een stukje zeil op. Ik zie nog dit gezicht, dat toen toch wel enigszins verwrongen gezicht. Zijn vrouw stond daar bij me; dat was voor die jongen natuurlijk een verschrikkelijke gewaarwording."


Op weg naar de ophanging

In de buurt van het Slot Haamstede hielden zich ook twee broers van Joost Pieter en Leendert Marie Jonker op. Ze liepen Klümpe tegen het lijf en herinnerden hem aan diens ontsnapping aan de dood. "Toen u drijvend op een ton van Walcheren kwam, heeft u toen ook niet aan het leven gehecht? Zoals u toen leven wilde, willen onze broers het nu ook." Klümpe verwijderde zich, vastberaden om de mannen te zullen hangen…

De weg van Haamstede naar Renesse werd bewaakt door honderden militairen. Ze lagen achter de dijkjes die de weg afscheidden van de landerijen of stonden verdekt opgesteld achter de vele treurwilgen die de bochtige klinkerstraat markeerden… Voorop reed de huifkar met de negen veroordeelden, daarachter kwam een lage bandenwagen met soldaten èn een vijftienjarige jongen. Hij had een dag of wat daarvoor geweigerd voor de Duitsers te werken. "Wat wil je, werken of opgehangen worden?", hadden ze hem gevraagd. "Opgehangen worden", was zijn antwoord! Nu reed hij mee naar de plek waar het vonnis voltrokken zou worden, zich nog onbewust wat zich zou gaan afspelen. De wagens reden Renesse binnen. Over de lange Reken en de Loane ging het naar de beboste ingang van het Slot Moermond.


Dagboek mej. Houtman

Mej. A.C.Houtman was één van de velen die de wagens voorbij zag gaan. Uit haar dagboek citeert ze: "Met een vriendin was ik even in de Loane geweest bij de familie Van O. Alles was afgezet met soldaten. In de wei naast de Loane liepen ook soldaten. Ze zaten met geweren achter de dijkjes. Toen ik weer thuis was, zag ik voor het gemeentehuis een koetsje en even later zei mijn vader: "Kijk eens, die worden daar allemaal omgebracht." En daar zagen we 21 man voorbij gaan. Wat zou dat zijn? Er reden weer even later wagens met soldaten de Loane in. We zagen de vrouw van Boot achterop hollen. Later kwam de stoet terug. Ze waren even in de laan van het Slot Moermond moeten komen, als getuige van negen mensen die daar opgehangen werden. Verder zal ik niet beschrijven van het vreselijke dat daar gebeurd is. Dat we die dag niet veel meer op bezoek gingen, spreekt voor zichzelf."

Ter verduidelijking op de woorden uit haar dagboek vertelt mej.Houtman: "Toen we de huifkar zagen rijden, wisten we niet wie er in zaten. Doordat we die vrouw van Boot zagen lopen, begonnen we iets te vermoeden, want zij was de moeder van Willem Maarten Boot die ook bij de groep van negen was. Je ging wel iets denken, maar je wist nog niet wat er ging gebeuren. Het maakte op mij een vreemde, vreselijk angstige indruk."


De ophanging

De huifkar werd stilgehouden. De mannen moesten uitstappen en achter elkaar in de richting van de slotlaan van Slot Moermond lopen. Vlak bij het toegangshek zagen zij het: tussen twee bomen was een dwarsbalk aangebracht, waaraan negen stroppen hingen… Op de grond stond een lage bank. Ze moeten erop gaan staan. Hun handen werden op de rug vastgebonden. Ondertussen was een draagbaar naar de plek gesjouwd. Lazonder, moet het door hen heen zijn gegaan, maar ze konden niet meer reageren. Als versuft stonden ze te wachten op het moment. Lazonder moest toezien, evenals de vijftienjarige jongen die zo brutaalweg had gezegd dat ze hem ook maar moesten ophangen.

Om precies één uur trapten de beulen de bank onder de negen mannen van Schouwen-Duiveland vandaan: Menke Koos van der Beek, Joost Pieter Jonker, Willem Maarten Boot, Adriaan Martijn Padmos, Johannis Oudkerk, Leendert Marie Jonker, Jan Andreas Verhoeff, Marcus Pieter Machiel van der Klooster en Iman Marinus van der Bijl.

Sommige Duitsers konden hun eigen beestachtigheden niet verdragen, ze draaiden zich om, maar vrijwel onmiddellijk daarna herstelden ze zich en werd er gelachen.


Verplichte toeschouwers

De twintig opgeroepenen, van elk dorp vijf, kwamen aangelopen. Van der Velde:"Net toen wij bij de ingang kwamen, hadden ze de bank weggetrokken… Daar hingen de mensen in de stroppen te bungelen… Vreselijk.. Als ik erover praat zie ik ze nog… Er waren hele goeie vrienden van me bij. Een hoge officier kwam naar voren. Hij zei onder meer:"Deze mensen zijn nu opgehangen wegens sabotage. Eén van hen, die daar op de draagbaar ligt, zullen we nu niet ophangen want hij beseft het dan niet dat hij opgehangen wordt. Zodra hij van zijn wonden is hersteld, wordt hij ook opgehangen en laten we zijn lijk net als bij de anderen tweemaal 24 uur hangen." Gelukkig zou ik haast zeggen, is Lazonder nog diezelfde nacht gestorven. De schurken hebben z'n lijk toen toch nog opgehangen."

Een onbeschrijflijk verdriet maakte zich van de twintig meester. Sommigen zagen hun broer(s) hangen, zoals de drie broers Jonker, anderen naaste familieleden. Of zoals vader Verhoeff zijn enige zoon…

Weer onder geleide van bewapende Duitsers werden ze teruggebracht naar het gemeentehuis van Renesse. Een drietal moest een bekendmaking vertalen waarin het vonnis stond beschreven. En ook het dreigement, dat wanneer nieuwe sabotagedaden ontdekt zouden worden, de twintig hetzelfde lot zouden ondergaan!


Verhaal van Anna Verhoeff

Alsof het nog niet genoeg was, werden later op de dag represaillemaatregelen genomen tegen de familieleden van de slachtoffers. Het verhaal dat mej. Verhoeff vertelt, is in dit verhaal karakteristiek:

"Mijn vader was van het gebeurde zo akelig geworden dat hij de weg naar huis niet meer kon vinden. Zij hebben hem thuis moeten brengen. Hij was helemaal kapot. Toen hij het vertelde viel m'n moeder flauw. Ook een zusje van me. Kort daarna kwamen de Duitsers, een stuk of zeven. Doodskoppen geloof ik, want ze hadden op hun uniform een doodskop. Ons huis zou verbrand worden. M'n vader vroeg of hij nog wat mocht meenemen, maar dat werd geweigerd. Alleen wat we aan hadden, konden we meenemen. Een paar tassen die we in de gauwigheid hadden ingepakt, moesten we achterlaten. M'n zus had twee jassen aangetrokken, één voor de winter en één voor de zomer - wat doe je op zo'n moment, maar die moesten ook uit. M'n ouders zijn door de plaatselijke dokter in huis genomen. Wij ergens anders."




Anna Verhoeff, de jongste van de drie zussen van Jan


En:

"M'n vader is er nooit overheen gekomen. Hij ging dikwijls in Renesse kijken. Als hij thuis kwam vroegen we hem:"Waar ben je geweest?" "Even wezen fietsen naar Renesse", zei hij dan altijd. M'n moeder was niet sterk, zij kon dat niet. Maar m'n vader was er altijd mee bezig. Jan was z'n enige zoon, z'n opvolger. Hij verstond zijn vak prima, hij was goed voor de klanten... Ook op z'n ziekbed had m'n vader het er nog vaak over. "Het heeft zijn leven wel bekort", zei de dokter toen hij was overleden."


Begraven

De tien gehangenen werden, nadat hun lijken twee dagen in de open lucht waren blijven bengelen, door de gemeentebode van Renesse op het kerkhof van deze plaats begraven. Hij kende de slachtoffers en schreef de volgorde waarin de mannen in het massagraf werden gelegd op een papiertje. De Duitsers hadden verboden dat zij in een kist begraven zouden worden… Hun lichamen moesten zo in de grond.

Later is op hezelfde kerkhof een eenvoudig maar indrukwekkend massagraf aangelegd. Tegenover het graf, op slechts een kleine honderd meter, is een monument verrezen. Een Schouwse vrouw draagt één van de slachtoffers in haar armen. Een ontroerende uitbeelding van het drama. Op de plek waar het gebeurde, ligt een grote kei. 10 december 1944 staat er slechts op, met daarboven een klein kruis…







Nimmer berecht

Op Schouwen-Duiveland acht men in de eerste plaats de Duitse luitenant Klümpe (door velen Klomp genoemd) verantwoordelijk voor de ophanging van de tien mannen. Het is bekend dat hij op zondagmiddag bij de terechtstelling aanwezig was. Zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat hij de mannen persoonlijk de strop heeft omgedaan.

Klümpe is pas tegen het eind van de oorlog op het eiland gekomen, nadat hij tot tweemaal toe uit Engelse gevangenschap had weten te ontsnappen. Zijn komst op Schouwen-Duiveland was wel heel vreemd: drijvend op een ton. Zo had hij zijn leven weten te redden, hetgeen hem enkele uren voor de ophanging door de broers van de ter dood veroordeelde gebroeders Jonker nog eens in herinnering werd gebracht. Maar Klümpe trok zich er niets van aan. Bij bezoek aan het gemeentehuis in Haamstede, in november 1944, schijnt hij gezegd te hebben:"Weet u hoe ze me hier zullen noemen? De hanger van Schouwen. De mensen hier moeten maar eens leren dat ze tegenover ons geen sabotage kunnen plegen…"

Klümpe is, voorzover na te gaan is, nimmer berecht… Ook de andere, bij de ophanging betrokken Duitsers zijn nooit gevonden. Cegers, de adjudant van de eiland-commandant, de Oberfeldwebel Fritz Weser en Franz Pauer, allen zijn spoorloos verdwenen. Over de identiteit van degenen die deel uitmaakten van het zogenaamde Standrecht in Middelharnis dat het vonnis over de mannen uitsprak, bestaan nogal wat uiteenlopende meningen. Zeker is dat ook eilandcommandant Schutz, de man die op de dijk met zijn wagen was gepasseerd, daarbij was. Een voorbereiding voor een berechting van hem schijnt momenteel (1969, GS) gaande te zijn. Van Von Alvensleben daarentegen is nimmer iets vernomen. Willy Lages heeft zijn straf erop zitten.

De Gemeenschap Oud Illegale Werkers, Kring Zierikzee heeft een jaar na het gebeurde in Renesse een rapport opgesteld voor de toenmalige Grote Adviescommissie Illegaliteit te Amsterdam en Het Militair Gezag. Daarin wordt gezegd, dat als voozitter van het Standrecht fungeerde de commandant van Goeree-Overflakkee.

In de processen-verbaal worden voorts de namen genoemd van de Oberleutnants Welsch en Saeger en de Hauptmann Becker. Ook voor hen geldt: Nimmer berecht."



Aldus het aangrijpende verslag van Lars Anderson in 'Accent', 25 jaar na de gruweldaad.