VERSLAG VAN DOMINEE H.C.VOORNEVELD






Een foto van ds. Voorneveld uit 1946.

Het hangt in de consistorie van de Geref. Kerk te Haamstede



INLEIDING

Het onderstaande document is het verslag van ds. H.C. Voorneveld. Hij was in de oorlogsjaren gereformeerd predikant te Haamstede. God gebruikte hem om de ter dood veroordeelde verzetsstrijders in hun laatste ogenblikken bij te staan. Hij vertelt zelf hoe dat allemaal is gegaan. Details in zijn verhaal verraden dat hij het kort na het drama heeft opgeschreven. Het is gepubliceerd in 1949.
Ik vind het een uitzonderlijk document, dat zoveel jaren na dato nog aangrijpt en ontroert.

Hij werd weggeroepen van de kansel aan het begin van de morgendienst van 10 december 1944. Hij vroeg een ouderling de dienst voort te zetten.
Het was een bijzondere verrassing dat mijn vrouw en ik bij een bezoek aan de 98-jarige Jan den Boer van hem hoorden, dat hij die ouderling was. We troffen bij Jan den Boer ook Wim Jonker aan, wiens vader moest zien hoe twee van zijn broers waren opgehangen. Verderop in dit hoofdstuk, in de Uitleiding, kunt u over onze bijzondere ontmoeting op 8 april 2011 meer lezen.

Hieronder volgt nu het letterlijke verslag van ds. Voorneveld.


"Het drama te Renesse 10 dec 1944


Een vaste Burcht is onze God.
Altijd wanneer ik terug denk aan die onvergetelijke Zondag 10 Dec. te Haamstede komt er grote ontroering en weemoed over mij. Wat toen door mij doorleefd is, het is z geweldig aangrijpend geweest, enerzijds door zijn onbeschrijfelijke tragiek, maar anderzijds ook door zijn machtig geloofsherosme, dat het niet heeft nagelaten een onuitwisbare indruk op mij te maken.

Dat jonge mensen van wie verschillende bloeiende gezinnen moesten achterlaten, op zulk een wijze afscheid van het leven hebben genomen, het is meer dan waartoe aardse kracht ooit in staat stelt. Dat kan ook niet verklaard worden uit de liefde voor ideaal, maar dat is alleen maar mogelijk geweest door een sterk geloof.

En wanneer ik dan nu trachten ga om U zo sober mogelijk, een beschrijving te geven van verschillende bijzonderheden uit de laatste ogenblikken van deze mannen, dan is het mijn bedoeling om vooral daarop uw aandacht te vestigen. Het mag geen sensatieverhaal worden, dat ons doet gruwen van zoveel onmenselijke wreedheid, want daarvoor is het einde van deze helden te gewijd geweest. Neen, we kunnen hun nagedachtenis niet beter eren, dan door voornamelijk de kracht van hun geloof in hun heengaan te doen uitkomen.


Zondagmorgen

't Was dan Zondagmorgen 10 Dec. 1944. Er heerste een bedrukte stemming. Wat er eigenlijk was, kon niemand vermoeden, maar dat er iets dreigde, begrepen we allen. 't Was of we een voorgevoel hadden van een naderend gevaar. Hier en daar doken geruchten op, dat enige van onze beste mannen, die een vooraanstaande plaats in de verzetsbeweging hadden, bij een vergeefse poging om in bevrijd gebied te komen, gegrepen waren en nu door de bezetting in een bunker waren opgesloten. Het bleek, helaas, maar al te spoedig dat de geruchten waarheid bevatten.




Het kerkgebouw van de gereformeerde kerk van Haamstede.
Het stond wat achteraf aan de Noordstraat 38.
De foto werd drie dagen voor de sloop genomen door ds. D. van Swigchem.
(Juiste spelling van zijn naam dank ik aan Jo Koetsveld-Dirks)



De kerkdienst was begonnen, en in de Pastorie was mijn vrouw met de kleintjes thuis gebleven. Plotseling werd er heftig aan de bel getrokken. Een kapelaan, tijdelijk te Haamstede geplaatst in verband met de vele Katholieken die daar te werk waren geplaatst, staat voor haar, geheel overstuur, en stoot het er uit: "Uw man direct komen!". 't Dringt nog niet tot mijn vrouw door wat dit te betekenen had en rustig klinkt het dan ook: "Mijn man heeft dienst, maar na afloop kunt U op hem rekenen". "O, nee", klinkt het gejaagd, "nu direct, geen tijd te verliezen!" "Maar wat is er dan, kunt U mij het zeggen?"

En dan komt het vreselijkste, dat zich denken laat: "Men heeft mij op 't Slot geroepen om 9 mannen in hun laatste ogenblikken bij te staan. Toen ik echter naar hun namen informeerde, bleek mij dadelijk, dat hier vergissing in het spel moest zijn, omdat het geen Katholieken betrof. Ik geloof dat er mensen bij zijn, die tot de gemeente van Uw man behoren, bijv. de Jonkers. Nu ben ik naar de officier gegaan om te vragen, of ik een dominee mocht roepen. Daarin werd toegestemd, aldus de pastoor. "Nu dacht ik aan Uw man, maar roep hem gauw, anders is het te laat. Ze zullen met de terechtstellingen even wachten."

Geen woord werd meer tegengesproken. Een handdruk werd gewisseld. En toen klonk 't als een snik: "Ze worden opgehangen".


Storen van de kerkdienst

Het storen van een kerkdienst, dat eerst onmogelijk leek, was nu geen bezwaar meer. Mijn vrouw ging in allerijl de kerk binnen, waar we juist de eerste psalm zongen. Ze kwam regelrecht op mij af, en hijgde: "Direct komen, op 't Slot zijn negen mannen, die terechtgesteld worden, ook Joost en Leen Jonker! Je mag nog even bij hen om voor en met hen te bidden."

Wat er toen in mij omging, laat zich niet beschrijven, maar het was of ik door de grond heenging. Ik dacht niet meer aan de gemeente, die op mij wachtte, maar 'k was alleen overweldigd door dat vreselijke, dat nu komen ging. Een ouderling werd vlug in kennis gesteld van het bericht. En ik ging eerst naar huis om mijn God om kracht te vragen voor deze zware gang en een bijbel te halen.

Het laat zich verstaan, dat men in de kerk niet rustig meer achterbleef. Allerlei gissingen werden gemaakt. Een oud vrouwtje kon het niet uithouden en ging naar de pastorie. Er zou wel wat met de dominee zijn en dan mevrouw zo alleen. Toen er echter n de kerk uit liep, volgden er meer. We leefden nu eenmaal in een angstige tijd en dan gebeuren er dingen, die anders nooit zouden voorkomen. Langzamerhand begon het tot de mensen door te dringen, wat er aan de hand was. Vooral toen verschillende leden van n familie uit de kerk werden geroepen, kreeg men een angstig gevoel.

Ze moesten om 11 uur in Renesse zijn, bij de slotlaan van Kasteel Moermond. Wat had dat nu weer te betekenen? Ach, deze mensen zouden spoedig 't allerwreedste van hun leven te zien krijgen.


Op weg naar het Slot

Intussen was ik als in een droomtoestand naar 't Slot gegaan, een afstand van hoogstens enkele minuten. De wacht was blijkbaar al van mijn komst verwittigd, want aanstonds mocht ik doorlopen naar de Commandant en dat nog wel zonder geleide, iets wat anders nooit gebeuren zou. Allerlei gedachten hielden mij bezig terwijl ik door de slotlaan ging. Ik kon het mij niet goed realiseren dat ik nu mensen moest voorbereiden op de eeuwigheid, mensen van wie ik verschillende zo goed kende. En ervan was jarenlang n van mijn beste diakenen geweest. En de laatste tijd kwam hij vaak 's avonds bij me om te praten. 't Was of hij toen reeds een voorgevoel had van wat nu zou gebeuren en dikwijls had hij met de vraag gezeten: mag ik dat offer wel brengen? Later heb ik dikwijls aan onze gesprekken gedacht, want wat voorzag hij toen reeds treffend de na-oorlogse toestand. Het was in mijn gedachten n verwarreling, die telkens weer opgelost werd in de smeking "O, God, bekwaam mij tot dit zware en verantwoordelijke werk."

Zo kwam ik bij de Commandant. Hij ontving mij in zijn kamer en deelde de situatie mee. De namen van de slachtoffers las hij mij voor, en tegelijkertijd legde hij mij een beperking op. Ik mocht beslist niet over politiek spreken, maar moest mij uitsluitend bezig houden met de geestelijke belangen. De tijd drong, ik zou ongeveer een kwartier tot mijn beschikking krijgen en nu moesten we dus gaan. Doch zo kon ik deze mannen niet aan hun beulen overlaten.

Ik voelde het als een plichtsverzaking tegenover hen, wanneer ik niet al het mogelijke gedaan had, vooral nu ik bij de hoogste instantie was, om hun vonnis gewijzigd te krijgen. Een hartstochtelijk beroep werd dan door mij gedaan om toch niet tot zulk een wrede maatregel over te gaan. Maar niets mocht baten, helaas! Ze hadden met vuur gespeeld, ze waren genoeg gewaarschuwd, nu moest het recht zijn loop hebben. Een laatste poging waagde ik, door een beroep te doen op zijn menselijkheid. Kon nu niet een mildere straf worden toegepast met het oog op hun vrouwen en kinderen. Doch ook dit hielp niet. "Befehl ist Befehl". Ik kon praten wat ik wilde, maar het kwaad was ten volle besloten. We moesten nu maar gaan, want de tijd schoot op.


Naar de bunker

Zo gingen we naar de bunker, waar ik mijn mensen zou vinden. Onderweg praatte hij nog druk over zijn familieomstandigheden. Maar ik hoorde het niet, het interesseerde mij niet. Ik was geheel vervuld van wat komen ging. Nogmaals probeerde ik hem tot andere gedachten te brengen. Maar ik had de moeite evengoed kunnen besparen. Er werd nauwelijks acht op geslagen.

Toen kwamen we bij de bunker. Zwaar bewapende soldaten stonden op hun post, alsof hier de grootste misdadigers waren opgesloten. De sterk gegrendelde deur werd door hem open gedaan, we liepen een gang door, en daarna werd de ruimte ontsloten, waar mijn mannen zich bevonden. En wat ik toen te zien kreeg - ik zal het mijn leven lang niet meer vergeten!

Daar stonden ze als gekooide leeuwen, machteloos, volkomen in het donker, haveloos, triest en somber. Waren dat nu de helden die zoveel grootse daden verricht hadden? Ja, inderdaad! En spoedig zou het blijken, dat ze nog hetzelfde heldenhart behouden hadden. Want wat de vijand hen ook ontnomen had, en wat hun was aangedaan, toch stond hij machteloos tegenover hun hart, waarin de heldenmoed des geloofs was blijven leven. Ook hier zou de geweldige diepte van het woord uit Lukas 12 waarheid blijven. "Vreest niet voor degene die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen."

De Commandant deelde hun met enkele woorden het doel van mijn komst mee. Dat was hun nog toegestaan! Alsof het hier een grote gunst betrof, en niet een daad, waar zij recht op hadden. Toen ging hij weg - gelukkig nadat ik eerst nog een lamp van hem had gekregen. Zelfs geen soldaat werd bij ons achtergelaten. Zo bleef ik dus met hen alleen en toch ook weer niet. Want God was bij ons.


Alleen met de mannen

Het eerste ogenblik drongen zij van alle kanten op mij aan. Wat zal het een verademing voor hen geweest zijn om eindelijk een bekende bij zich te hebben, tegen wie zij zich vrij konden uitspreken. Ze behoefden niet op hun woorden te letten, uit vrees dat ze teveel zouden zeggen. Daarna vertrouwden ze mij allerlei waardevolle voorwerpen toe. Ringen, brieven, portemonnaies en nog meer stukken van betekenis werden mij toevertrouwd.

Toen was het ogenblik gekomen dat ik rustig met hen kon spreken om hen voor te bereiden op de eeuwigheid. Ik kan niet weergeven, wat daar door ons gezegd is. Woorden van stervenden gaat men niet publiceren. Maar wel mag geweten worden dat er ontroerende getuigenissen gegeven zijn. Al zag men ook op tegen de wrede scheiding van het leven en degenen die men liefhad. Toch was er tegelijk het vertrouwen op God, die in Jezus Christus vol ontferming is en Zijn kinderen in de hemelse heerlijkheid opneemt.

In aansluiting hieraan heb ik Ps. 23 gelezen, die psalm van het stille Godsvertrouwen, dat ons zelfs in het aangezicht van de dood niet doet vrezen. Toen heb ik met hen gebeden, een kreet tot God om bijstand nu de banden met de aarde verbroken zouden worden, een smeking om uitzicht op het Vaderhuis en een vraag om kracht voor hen die achter moesten blijven.

Mijn taak was hiermee eigenlijk afgelopen. Maar zou ik deze mannen niet tot het laatste toe ter zijde staan? Toen dan ook door hen gevraagd werd: "Dominee, u blijft bij ons?" was het voor mij vanzelfsprekend, dat ik niet wegging.

De tijd die nu restte, werd door mij gebruikt voor het opnemen van groeten en bizondere mededelingen aan nabestaanden. Ook daarin kwam soms op zo treffende wijze de kracht van het geloof uit. Wanneer ik nu nog nalees wat deze mensen in hun laatste levensogenblikken heeft bezig gehouden, dan kan ik mijn ontroering niet bedwingen. Hier werd voor dit leven afscheid genomen van veel liefs, waaraan vaak op hartstochtelijke wijze uiting werd gegeven, maar toch wist men de scheiding niet voor altijd. Daar zou een weerzien komen in heerlijkheid en weer verenigd worden, dat nooit zou breken.

Een vaste burcht is onze God

Toen ik met het opschrijven van deze afscheidswoorden klaar was, verzochten ze mij nogmaals een gedeelte uit de Bijbel met hen te lezen. Graag voldeed ik natuurlijk aan hun verzoek en op mijn vraag waaraan ze de voorkeur gaven, antwoordden ze: "Ps. 91". En zo hebben we daar samen geluisterd naar het vertroostend woord van God: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Allerhoogsten. U zal geen kwaad wedervaren, want Hij zal zijn engelen bevelen, dat ze U bewaren in al Uw wegen. Dewijl hij mij zeer bemint, zegt God, zo zal ik hem uithelpen. In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal hem er uittrekken en Ik zal hem Mijn heil doen zien".

Daarna hebben we opnieuw Gods nabijheid gevraagd. En toen kwam het hoogtepunt. 't Was als of hier in deze bunker de aarde door de hemel werd aangeraakt. God maakte hen hoe langer hoe meer klaar voor het einde. Want hoewel de wacht steeds onrustiger begon te worden en de dreunende laars reeds vlakbij gehoord werd, toch stelden ze voor om tenslotte nog met elkaar te zingen. En we voelden daarvoor moest alles wijken. Als God z sterk werkt, zijn er dan nog belemmeringen? Zelfs de wacht schijnt enigermate beseft te hebben, want hij trok zich weer terug. En toen hebben we daar op hun eigen aanwijzing met elkaar ons geloofsvertrouwen beleden, in het machtige Lutherlied: Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen.

Zo hebben deze mannen van het leven afscheid genomen, waarvan er verschillende bloeiende gezinnen moesten achterlaten, terwijl ze heel goed wisten, dat ze aanstonds hun hoofd door de strop zouden moeten steken. Gewijde ogenblikken zijn dat geweest, waarin Gods nabijheid wel bijzonder ervaren werd. Hier heb ik dus duidelijk de kracht van het geloof gezien. Want dat men zo de dood tegemoet kan gaan, dat is niet uit natuurlijke oorzaken te verklaren. En evenmin kan men hier spreken van houding of grootdoenerij, want vlak voor het sterven veinst men niet. Hier werkte hogere kracht.


Afscheid

Ik moest nu weg. Met een handdruk heb ik afscheid genomen, hun sterkte toegewenst biddend voor de zware gang, die zij te volbrengen hadden. Dat was onze laatste groet in dit leven. Nauwelijks buiten de bunker gekomen, keek ik nog even om. En daar gingen zij reeds, de handen omhoog, de aanwijzingen van de wacht volgend. Wat een bespottelijk gezicht leek mij dit toe. Het ging hier om mensen, die al heel dicht tot de hemelpoort waren genaderd en die zich onderwerpen moesten aan zulke nietige aardse dingen. Wat zal dat voor henzelf een schril contrast geweest zijn.

Overmeesterd door mijn gevoelen kwam ik weer thuis. Daar vond ik de kamer vol mensen tot wie reeds was doorgedrongen wat gebeuren zou. Het zwaarst was voor mij wel met twee vrouwen, wier mannen ik zojuist had moeten voorbereiden op de zwaarste gang van hun leven. Ze zouden weldra weduwe zijn. Een van hen kon nog maar niet geloven, dat dit het einde zou worden. Wat is het dan moeilijk om het rechte woord te spreken!

Terwijl ik in de bunker was geweest, hadden zij getracht om nog even tot hun mannen te worden toegelaten. Maar de wacht had ze afgesnauwd. Ik stelde nu voor om met hen mee te gaan. Misschien zou dit lukken. Inderdaad scheen onze poging resultaat te hebben. De wacht liet ons tenminste door. Nauwelijks hadden wij enige passen gelopen, of daar kwam onder groot geraas een huifkar ons tegemoet. Ik kreeg een angstig voorgevoel. En helaas, het bleek maar al te zeer waarheid te zijn. We waren te laat!

De mannen werden reeds naar Renesse vervoerd om daar hun vreeslijk einde te ondergaan. Terwijl ze ons passeerden lichtte een van hen het dekkleed even op, - voelde hij dat zijn liefste bezit op aarde hier stond? - En daar zag hij zijn vrouw, strak keken ze elkaar aan met een blik om nooit te vergeten, doch voort ging het in razendsnel tempo! Het leek wel of de duivel deze beulen voortdreef! Toch hadden deze twee afscheid van elkaar genomen voor het leven.

Hoe de rest van de zondag voorbijging, laat zich verstaan. We waren als lam geslagen. Ik kon 's middags niet preken. Al de gebeurtenissen van die morgen waren teveel voor mij geweest. Maar toch was het telkens weer als een niet te ontnemen troost, die over ons kwam: ze zijn Boven, waar geen vijand en geen vernedering en geen leed hen ooit meer kan treffen. Dat was ook de troost voor de nabestaanden.


Bezoek aan familieleden

Diezelfde dag liep ik nog even aan bij de twee weduwen, met wie ik 's morgens naar 't Slot was gegaan. Weer een nieuwe ramp had hen getroffen! Ze moesten hun huis uit, eerst met achterlating van alles. Later werd dit gewijzigd, alleen het noodzakelijke mochten ze meenemen. Zo werden deze vrouwen en kinderen als honden op straat gejaagd. Alsof het al niet erg genoeg was. En toch grepen ook zij zich vast aan de wetenschap, dat hun mannen nu in heerlijkheid waren opgenomen. Geen angst kenden ze daar meer, geen onophoudelijk opgejaagd worden, ze waren ingegaan in de rust, die er voor het volk Gods overblijft. In dat verband moet ik nog n voorval vermelden.

Reactie van Hendrik Verhoeff

De volgende dag ging ik andere familieleden opzoeken. Ik kwam in een gezin waarvan de vader de vorige dag gedwongen was, om naar zijn eigen zoon te kijken die opgehangen was. Wat het voor hem geweest moet zijn om z zijn jongen te zien, geen buitenstaander die dit ooit zal beseffen. Men moet toch wel alle menselijkheid verloren hebben om dat van een vader te eisen. Maar waren het nog wel mensen? Had de duivel hen niet volkomen in zijn macht? Als een gebroken man was hij naar huis gegaan, terwijl anderen hem moesten ondersteunen.

En nu zat ik vr hem. Nog was hij als versuft van de zware slag die hem was toegebracht. Ik moest hem en zijn gezin uitvoerig vertellen, wat zijn jongen mij had meegedeeld. En toen kon ik zeggen, dat hij mij de opdracht had gegeven: "Wilt U mijn ouders en mijn zusters zeggen, dat ik mijn zonden verzoend weet in het bloed van Christus?"

Toen greep er iets plaats, dat een onuitwisbare indruk op mij gemaakt heeft. Deze man, nog bedolven onder zijn smart, stond op, het was of zijn figuur iets profetisch kreeg en met krachtige stem sprak hij het uit: "Dominee, dan hebben we alle reden om God te danken!" Is ook dit niet alleen mogelijk geweest door de kracht van het geloof? Geen woord van haat of van wraak werd gehoord, hoewel zij ook hun huis waren uitgedreven, maar alleen dank aan God, omdat Deze hun jongen in Zijn heerlijkheid had opgenomen. Veel heb ik hier niet meer aan toe te voegen.

Slot

Ik heb getracht een zo sober mogelijke beschrijving te geven van de gebeurtenissen rond 10 December 1944. Als U dit "In Memoriam" ziet als een sensatieverhaal, dan hebt U de bedoeling ervan niet begrepen. En wat nog erger is, dan houdt U de nagedachtenis van deze helden niet hoog. U kunt hen het beste eren door deze houding: hun geloof navolgen dat nog steeds tot machtige bovenaardse dingen in staat stelt. Immers: nooit kan 't geloof teveel verwachten. En waarom niet? Omdat het zich heeft vastgegrepen aan God. Die een vaste burcht is, een toevlucht voor de zijnen. Dan is het levenseinde niet tevergeefs geweest, nadat zij gestorven zijn.

H.C. VOORNEVELD"



UITLEIDING


BEZOEK VAN DS. VOORNEVELD AAN HENDRIK VERHOEFF

In de laatste pericoop gaat het over bezoeken van ds. Voorneveld aan de nabestaanden. En van hen is Hendrik Verhoeff. Die moest als vader bij de ophanging van zijn zoon aanwezig zijn. Als een gebroken man kwam hij thuis.




Een foto van Anna uit 1969,
ze was de jongste zus van Jan.



Zijn dochter Anna vertelde daarover:

"Mijn vader was van het gebeurde zo akelig geworden dat hij de weg naar huis niet meer kon vinden. Zij hebben hem thuis moeten brengen. Hij was helemaal kapot. Toen hij het vertelde viel m'n moeder flauw. Ook een zusje van me. Kort daarna kwamen de Duitsers, een stuk of zeven. Doodskoppen geloof ik, want ze hadden op hun uniform een doodskop. Ons huis zou verbrand worden. M'n vader vroeg of hij nog wat mocht meenemen, maar dat werd geweigerd. Alleen wat we aan hadden, konden we meenemen. Een paar tassen die we in de gauwigheid hadden ingepakt, moesten we achterlaten. M'n zus had twee jassen aangetrokken, n voor de winter en n voor de zomer - wat doe je op zo'n moment, maar die moesten ook uit. M'n ouders zijn door de plaatselijke dokter in huis genomen. Wij ergens anders."

En: "M'n vader is er nooit overheen gekomen. Hij ging dikwijls in Renesse kijken. Als hij thuis kwam vroegen we hem:"Waar ben je geweest?" "Even wezen fietsen naar Renesse", zei hij dan altijd. M'n moeder was niet sterk, zij kon dat niet. Maar m'n vader was er altijd mee bezig. Jan was z'n enige zoon, z'n opvolger. Hij verstond zijn vak prima, hij was goed voor de klanten... Ook op z'n ziekbed had m'n vader het er nog vaak over. "Het heeft zijn leven wel bekort", zei de dokter toen hij was overleden."

Ook toen Hendrik Verhoeff bij de dokter aan de overkant van de haven in huis was genomen, was hij bijna niet meer aanspreekbaar. Maar tijdens het bezoek van ds.Voorneveld en diens verhaal over de afscheidswoorden van Jan, stond hij op en zei hij: "Dominee, dan hebben we alle reden om God te danken!"

Om deze reden is het slot van het verslag van ds.Voorneveld ook voor onze familie bijzonder. Het laat de betekenis en de kracht van het geloof in God zien in de donkerste uren van het menselijk bestaan.

In 1948 verscheen het verhaal van ds. Voorneveld in De ZWERVER, Weekblad der GOIWN en LO-LKP-Stichting, Een vaste burcht, nr. 51, 4de jrg, 1948

Ik trof het verslag van ds. Voorneveld ook aan in een lokale krant: de ZIERIKZEESCHE NIEUWSBODE van 8 december 1994. Op deze wijze kreeg het steeds weer aandacht. Het is van buitengewoon belang. Ook voor vandaag.

Ds. Voorneveld is na Haamstede in 1946 predikant geworden in Pernis. Daar sprak hij vaak over de oorlog met zijn collega ds. Jan Slotman uit Heemse. Die vertelde me, dat ds. Voorneveld nooit met hem over zijn bezoek aan de ter dood veroordeelden heeft gesproken. Hij wist dat helemaal niet. Kennelijk had dat zijn collega zo aangegrepen, dat hij er niet meer over sprak, zo overweldigend was het verdriet verbonden aan deze gebeurtenis.


GESPREK MET JAN DEN BOER EN WIM JONKER IN HAAMSTEDE

In het verslag van ds. Voorneveld vertelt deze dat hij na de boodschap van zijn vrouw een ouderling waarschuwde. Ik ervoer het als heel bijzonder dat Ans en ik op vrijdag 8 april 2011 in Haamstede deze ouderling hebben ontmoet. We hadden het adres gekregen van een oude broeder uit de gereformeerde kerk. Het is de 98-jarige J.C. (Jan) den Boer. We maakten met hem een afspraak voor een bezoek. Toen we bij hem kwamen, was er nog een bezoeker, Wim Jonker. Hij is oom-zegger van de twee broers Jonker, die ook zijn terechtgesteld.

Het werd een bijzonder bezoek. Jan den Boer kan zich die dag nog scherp herinneren. Hij noemt het 'de zwartste dag van mijn leven'. Na de sobere mededeling van ds. Voorneveld dat hij absoluut weg moet, vraagt hij een mede-ouderling een psalm op te geven. Ondertussen gaat hij naar zijn huis (vlakbij de kerk) een preek halen. Hij leidt verder de dienst, die wel onrustig verloopt, omdat familieleden worden weggeroepen. 's Middags gaat Jan den Boer weer voor op verzoek van ds. Voorneveld.

Jan den Boer vertelt daarover:




Jan den Boer in karakteristieke vertelhouding



"Joost Jonker belde op de woensdag voor die zondag voor 8 uur op: "Jan, kan ik bij je slapen vannacht". Dus Joost heeft hier geslapen in die slaapkamer daar. Hij zei: "Als jij morgenvroeg uit bed komt, ben ik al weg". Ik wist dat hij een revolver bij zich had. Hij zei:"Als er zich vannacht wat opdoet, dan schuif ik het raam open en dan schiet ik." We hebben een heel gezellige avond gehad. Ik wist natuurlijk verder niets. Dus hij was de andere ochtend weg. Ik wist niet wat er ging gebeuren. Ik wist wel dat hij in het verzet zat.




Joost Pieter Jonker (geb. 24 aug. 1902) was de oudste van de twee broers.
Hij sliep begin december een nacht bij Jan den Boer.



En zondagsochtends: ik was ouderling en we gaan de eerste psalm zingen, toen kwam de vrouw van de dominee de kerk in gerend en die vliegt de preekstoel op. De dominee dan gaat de preekstoel af en komt even naar de ouderlingenbank toe en vertelt dat hij weggeroepen werd. Wij wisten toen niet wat er aan de hand was.
(Zie ook het Dagboek van Samul Muller).

Ik zeg tegen de andere ouderling: "Ga jij even op de preekstoel, dan ga ik achterom en spring over een sloot, dan ga ik even een preek halen." Ik woonde drie huizen van de kerk. En toen heb ik verder die dienst gedaan. Ik heb gewoon een preek gelezen. Toendertijd kon het niet dat een kerkdienst niet door zou gaan, dus ik las een preek. Ik weet niet meer waarover. De familie van de Jonkers ging voor het eind van de dienst de kerk al uit. Die wisten nog van niets. De dienst is dus gewoon doorgegaan en 's middags is er weer gewoon kerk geweest. Ds. Voorneveld zei tegen mij: "Ik ben zo van streek, wil jij het vanmiddag weer doen?" Ik zat wel in spanning want Joost Jonker was een dag tevoren 's nachts bij mij geweest. En als dat was uitgelekt"




Wim Jonker was toen 9 jaar



Wim Jonker was toen 9 jaar. Hij vertelt: "Mijn vader is tijdens de dienst uit de kerk gegaan. Marius z'n broer ook. Ze wisten wel, er is wat aan de hand. Ze zullen wel geweten hebben van die tocht naar de overkant. Toen is de kerk uitgegaan en van lieverlee hoorde je wat er aan de hand was. Ik heb met de vrouw van Leen Jonker bij het hek van de slotlaan gestaan, toen die bolderwagen voorbij kwam en toen ging het zeil een beetje omhoog en zag Leen zijn vrouw. Dat is eigenlijk mijn verhaal. De rest heeft zich allemaal op Renesse afgespeeld. Dat heb ik dan ook alleen van horen zeggen."

Jan den Boer vervolgt:"Ik was ouderling en ik ging 's woensdags op bezoek bij de vrouw van Joost, ze stond aan de wastobbe. Joost Jonkers vrouw was bij haar vader en moeder. Die woonden op het dorp. De oudste zoon van Joost en z'n vrouw was ondergedoken in Leiden. 's Zondags was haar man opgehangen en dinsdags kreeg ze bericht dat haar oudste zoon Cor was overleden aan buikvliesontsteking. Dat kreeg ze in n week allemaal te verwerken."

Wim Jonker:"Ik ga ieder jaar naar de herdenking. Maar hoelang dat nog zal wezen?
Die kinderen van openbare basisschool 't Staepel'of die dat beeld geadopteerd hebben, dat is geweldig. Hoe die herinnering toch verteld wordt, de indrukken van die kinderen. Ze mogen een stukje schrijven en een tekening maken. Dat wordt opgeplakt. En dan verbaas je je erover wat een indruk dat op hen heeft gemaakt. Wat er op dit ogenblik gebeurt vandaag in Libi en op andere plaatsen in de wereld, zulke erge, erge dingen, waardoor zoiets van vroeger toch voor veel mensen op een achtergrond geraakt. Er zijn veel actuele dingen waarveel meer mensen aan dood gaan, maar dit vind ik zo mooi dat die school dat elk jaar doet, dat die hoofdonderwijzer het elk jaar zo vertelt dat de kinderen die indrukken zo bijzonder op papier zetten. Dat boek wordt zo lang gelezen als dit blijft. En het gaat over alle tien. De namen worden voorgelezen. Het is indrukwekkend."



TEKENINGEN EN GEDICHTEN VAN OBS 'T STAEPEL'OF TE RENESSE

ter gelegenheid van de Dodenherdenking 2011 te Renesse





1. Hier zie je de bijdragen van groep 7/8
van de Openbare Basisschool 't Staepel'of te Renesse.






2. Hoofdonderwijzer Paul Stal hield een korte toespraak over wat we herdenken.
Daarbij gaf hij een overzicht van de gebeurtenissen in december 1944.






3. Daarna kwamen de kinderen aan bod.






4. Zij droegen gedichten voor die ze hadden gemaakt voor deze herdenking






5.Op het podium stonden grote borden met tekeningen en gedichten.
Daarbij stond ook een bord met de foto's van de Tien van Renesse.
Dit is de goede versie met tien foto's.






6. De borden met de bijdragen stonden daar naast elkaar.
Hier onder elkaar.






7. Wim Jonker had niets te veel gezegd:
Ans en ik waren erg onder de indruk
van de bijzondere bijdrage van de kinderen olv directeur Paul Stal.

Kinderen en meester geweldig bedankt.
Jullie maakten de herdenking tot iets heel bijzonders.



PSALM 23 uit de Statenvertaling

In de bunker in Haamstede las ds. Voorneveld Psalm 23 uit de Statenvertaling van 1637.
Een wonderlijk diepe troostpsalm.

Hier volgen de woorden in hun laatste levensuur hier op aarde

1. Een psalm van David. De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
2. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
3. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
4. Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
5. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
6. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen.


Toen er nog even tijd voor was las de dominee op verzoek ook Psalm 91.

Opschrift: Gods bescherming tegen gevaren

1 Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
2 Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!
3 Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.
4 Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
5 Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;
6 Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.
7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.
8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.
9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;
10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.
14 Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.


In vers 2 staat: "Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!"

Deze regel leidde hun aandacht als vanzelf naar het Lutherlied, dat ze samen zongen: "Een vaste burg is onze God."

Wat is dominee Voorneveld een middel in Gods hand geweest om te troosten en te bemoedigen!

Wat is de Here God deze mannen nabij geweest in hun laatste uur!




Op de volgende clip, opgenomen door Tjeerd Muller, vertel ik over het geloof van de Tien van Renesse:

Wat was de betekenis van het geloof in God bij de Tien van Renesse?